Vernietiging en verwijzing: bewijs van site-clearance en kostenafwijzing onvoldoende gemotiveerd.

Parket bij de Hoge Raad 路 13 maart 2015 路 Civiel recht

Schadestaatprocedure. Schade wegens afgebroken onderhandelingen? Moet voor vergoeding van buitengerechtelijke kosten (art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW) vast komen te staan dat schade is geleden? HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7423, NJ 2005/50.

Partijen en standpunten

  • Eiser: Mark Four Enterprises B.V.

Wetsartikelen

  • art. 407 lid 2 Rv
  • art. 21 Rv
  • art. 2:2:403 lid 1 BW
  • art. 6 EVRM
  • art. 152 lid 2 Rv
  • art. 23 Rv
  • art. 611c Rv

Tijdlijn

  1. 09-09-1995 MFE en KF voeren overleg over samenwerking
  2. 01-05-1998 In de samenwerking wordt duidelijk dat voor registratie van het psylliumproduct in Nederland en andere EU-landen een inspectie en goedkeuring van de fabriek door een EU-autoriteit noodzakelijk is; daarom wordt gekozen voor levering van halffabrikaat door Infar en verdere bewerking door een Europese eindfabrikant met site clearance.
  3. 01-08-2000 CBG registreert op aanvraag van KF het psylliumproduct van Infar in sachetvorm, met het Belgische bedrijf Smeets als geregistreerd producent.
  4. 31-08-2000 In een tussen MFE en KF besproken conceptovereenkomst wordt een prijsformule opgenomen, met jaarlijkse aanpassing na de hoofdoogst rond april, en wordt voor het eindproduct aangesloten bij de prijsopgave van april 1998, aan te passen bij wijzigingen in de prijs van ruwe psyllium.
  5. 25-08-2000 Volgens het latere arrest van het Hof is eind augustus 2000 een zodanig uitgewerkte overeenkomst tot stand gekomen dat sprake is van een bindende basisovereenkomst; het latere geschil draait mede om de vraag of KF zich hieraan eenzijdig kon onttrekken.
  6. 01-09-2000 MFE stelt dat het overleg vanaf september 1995 en de verdere uitwerking in augustus 2000 hebben geleid tot een bindende overeenkomst; de exacte ingangsdatum blijft in de stukken echter onderwerp van discussie en wordt later door het Hof op 1 juni 2001 gesteld. Opmerking: de chronologie van de precieze contractsluiting is niet geheel eenduidig.
  7. 00-00-0000 [Najaar 2000] MFE stelt voor om, nu nog geen Europese eindfabrikant is gevonden, een eindfabrikant in India te zoeken die wel over site clearance beschikt; Infar vindt daarop drie Indiase eindfabricanten bereid.
  8. 12-12-2000 KF laat per e-mail aan MFE blijken dat zij nog steeds met het project wil doorgaan.
  9. 09-05-2001 Partijen en hun raadslieden bespreken de kwestie; later verwijst het Hof naar dit gesprek in samenhang met de daaropvolgende afwijzende brief van KF.
  10. 31-05-2001 KF bericht MFE schriftelijk dat zij op basis van de huidige fabricageprijzen geen mogelijkheden ziet het dossier psyllium te commercialiseren.
  11. 01-06-2001 Het Hof stelt later deze datum als ingangsdatum van het contract en oordeelt in de hoofdzaak dat vanaf dit moment de overeenkomst moest worden uitgevoerd; in de schadestaatprocedure draait het om de vraag of uitvoering vanaf deze datum mogelijk was.
  12. 16-06-2005 Het Hof 鈥檚-Gravenhage oordeelt in de hoofdzaak dat eind augustus 2000 een bindende basisovereenkomst tot stand was gekomen, verklaart deze ontbonden, houdt KF aansprakelijk voor wanprestatie en veroordeelt KF tot schadevergoeding op te maken bij staat, met wettelijke rente vanaf de tijdstippen van schade en opeisbaarheid.

procesrecht 路 bewijsrecht 路 cassatie 路 schadevergoeding 路 wanprestatie 路 overeenkomst 路 uitleg-overeenkomst 路 causaal-verband 路 verzuim