Vernietig de beschikking als de onmiddellijke voorziening en goedkeuringsgrondslag juridisch tekortschieten.
ABN AMRO. Enquêteprocedure; OK heeft ten onrechte bij wijze van onmiddellijke voorziening als bedoeld in art. 2:349a lid 2 BW de verdere uitvoering van de LaSalle-transactie opgeschort. Bij het ontbreken van wettelijke of statutaire regeling bestaat géén goedkeuringsrecht van AvA of consultatieplicht van bestuur enkel op grond van regels van ongeschreven recht (art. 2:8-9 BW) in verband met in handelsverkeer vereiste rechtszekerheid, uitwerking van HR 21 februari 2003, nr. OK 101, NJ 2003, 182; toepasselijkheid van art. 2:107a BW, geen ruimte voor analoge uitleg; interne verhouding bestuur-AvA; verzuim bij bestuursbesluit in beginsel géén externe werking
Partijen en standpunten
- Eiser: Bank of America Corporation
Wetsartikelen
- art. 2:2:107a BW
- art. 2:2:107a lid 2 BW
- art. 2:2:16 lid 2 BW
- art. 2:2:349a BW
- art. 2:2:8 BW
Tijdlijn
- 15-05-2007 Verzoekschrift cassatie ontvangen ter griffie van de Hoge Raad in de tweede cassatieprocedure tegen de beschikking van de Ondernemingskamer van 03-05-2007 over de verkoop van LaSalle door ABN AMRO Holding.
- 26-04-2007 De algemene vergadering van aandeelhouders van ABN AMRO Holding heeft zich reeds in zoverre uitgesproken dat duidelijk is dat het toenmalige beleid van het bestuur niet, althans niet volledig, door haar werd ondersteund.
- 03-05-2007 De Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam heeft een beschikking gegeven in het geschil over de verkoop van de Amerikaanse dochtervennootschap LaSalle, met een onmiddellijke voorziening die inhield dat geen uitvoering aan de koopovereenkomst mocht worden gegeven voordat goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders was verkregen.
- 26-06-2007 De procureur-generaal, mr. L. Timmerman, heeft conclusie genomen in cassatie en geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking. In de conclusie worden de klachten van Bank of America tegen de onmiddellijke voorziening besproken, waaronder de stelling dat de voorziening geen externe werking aan interne bevoegdheidsbeperkingen geeft, de belangenafweging, de verhouding tot art. 2:107a BW en de uitleg van de voorziening als goedkeuringsrecht.