Nominaal rendement mag grondslag zijn voor belastingheffing in box 3.
Art. 14 EVRM; art. 1 EP; art. 5.2 Wet IB 2001; Wet rechtsherstel box 3 (Herstelwet)Vermogensrendementsheffing en werkelijk rendement. Ongerealiseerde koersverliezen op beleggingen
Rechtsvraag
Is de belastingheffing over het nominale rendement van het vermogen in box 3, zonder rekening te houden met inflatie, en het heffen van belasting tegen een tarief van 30 procent in strijd met artikel 14 EVRM en artikel 1 EP?
Regel
- art. 14 EVRM (verbod op discriminatie)
- art. 1 EP (recht op eigendom)
- art. 5.2 Wet IB 2001 (regels voor heffing van inkomstenbelasting)
- Wet rechtsherstel box 3 (Herstelwet) (regeling voor rechtsherstel bij onjuiste belastingheffing)
- art. 41 EVRM (billijke genoegdoening bij schending van het EVRM)
Toepassing
- art. 14 EVRM (verbod op discriminatie) Belanghebbende stelde dat de belastingheffing in strijd is met art. 14 EVRM omdat het forfaitaire stelsel van box 3 leidde tot een heffing naar een voordeel dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement. De Hoge Raad oordeelde dat de inspecteur de aanslag heeft verminderd in overeenstemming met het Besluit rechtsherstel box 3 en de Wet rechtsherstel box 3, waardoor de schending van art. 14 EVRM werd hersteld.
- art. 1 EP (recht op eigendom) De Hoge Raad volgde het oordeel van het Hof dat het de wetgever vrij staat om het nominale rendement als grondslag voor belastingheffing te hanteren en om belasting te heffen naar een tarief van 30 procent. Dit oordeel houdt stand in het licht van art. 1 EP.
- art. 5.2 Wet IB 2001 (regels voor heffing van inkomstenbelasting) De inspecteur heeft de aanslag verminderd in overeenstemming met de in 2019 geldende wettelijke regeling voor inkomstenbelasting en het Besluit rechtsherstel box 3, waarbij het belastbare inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld op een lager bedrag dan oorspronkelijk.
- Wet rechtsherstel box 3 (Herstelwet) (regeling voor rechtsherstel bij onjuiste belastingheffing) De Hoge Raad bevestigde dat de vermindering van de aanslag door de inspecteur in overeenstemming was met de Wet rechtsherstel box 3, wat leidde tot rechtsherstel voor de schending van de verdragsrechten van belanghebbende.
- art. 41 EVRM (billijke genoegdoening bij schending van het EVRM) Het Hof wees het verzoek om rentevergoeding af, aangezien met de uiteindelijke belastingheffing in box 3, die plaatsvond naar een grondslag die lager is dan het werkelijke rendement, al rechtsherstel was geboden. Dit oordeel werd door de Hoge Raad bevestigd.
Conclusie
De Hoge Raad heeft het principale beroep in cassatie ongegrond verklaard en het incidentele beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing werd genomen op basis van de vaststelling dat de belastingheffing, zoals verminderd door de inspecteur, in overeenstemming was met de toepasselijke wettelijke regelingen en verdragsrechten.
Partijen en standpunten
- Eiser: Belanghebbende [X]
- Gedaagde: Staatssecretaris van Financiën
Belanghebbende stelt dat de heffing van inkomstenbelasting in box 3 in strijd is met artikel 14 EVRM en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, omdat het forfaitaire stelsel leidt tot een hogere belasting dan het werkelijk behaalde rendement.
De Staatssecretaris stelt dat de wetgever het nominale rendement als grondslag mag hanteren voor de belastingheffing over inkomsten uit vermogen, en dat een tarief van 30 procent gerechtvaardigd is. Daarnaast voert hij incidenteel beroep in cassatie aan tegen de beslissing van het Hof over de rentevergoeding.
Wetsartikelen
- art. 14 EVRM
- art. 41 EVRM
Tijdlijn
- 01-01-2019 Belanghebbende doet aangifte in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2019. In deze aangifte is een vermogen in box 3 opgenomen van €469.651, bestaande uit €5.001 aan aandelen en de rest uit banksaldi.
- 2019 Belanghebbende heeft over zijn banksaldi in 2019 een werkelijk nominaal rendement behaald van €1.254 (0,27 procent). Het werkelijke rendement over zijn gehele vermogen in box 3 bedraagt €1.533 (0,326 procent).
- 2019 De Inspecteur legt aan belanghebbende een aanslag IB/PVV op in overeenstemming met de aangifte. Het belastbaar inkomen in box 3 wordt vastgesteld op €17.718, met een te betalen belasting van €5.315 (30 procent van €17.718).
- 2021 De Hoge Raad wijst het arrest van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, waarin wordt vastgesteld dat de heffing van inkomstenbelasting in box 3 bij belanghebbende leidt tot een schending van zijn door artikel 14 EVRM en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM gewaarborgde rechten, voor zover hij wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement.
- 2022 De Inspecteur vermindert de aanslag, waarbij het belastbare inkomen uit sparen en beleggen van belanghebbende wordt vastgesteld op €571. Dit leidt tot een belastingbedrag van €171 (30 procent x €571), in overeenstemming met het Besluit rechtsherstel box 3 en de Wet rechtsherstel box 3.
- 07-02-2023 Het Hof oordeelt dat het de wetgever vrij staat het nominale rendement als grondslag te hanteren voor belastingheffing over inkomsten uit vermogen en dat een tarief van 30 procent daarover mag worden geheven. Het Hof wijst het verzoek van belanghebbende om rentevergoeding af.
- 22-12-2023 De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie van belanghebbende.
- 06-06-2024 De Hoge Raad verklaart het principale beroep in cassatie ongegrond en het incidentele beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van belanghebbende falen en dat de overige klachten geen aanleiding geven tot vernietiging van de uitspraak van het Hof.