Onzakelijke lening leidt niet automatisch tot schenking onder opschortende voorwaarde.
Artikel 1, lid 9, SW; verstrekking en kwijtschelding van een onzakelijke lening; opschortende voorwaarde?
Rechtsvraag
De centrale rechtsvraag is of de kwijtschelding van de schuld in 2014 een schenking vormt onder de Successiewet 1956, en of er sprake is van een gift onder een opschortende voorwaarde.
Regel
- Art. 1, lid 9, Successiewet 1956 (SW) (bepaling over schenkbelasting)
- Art. 18, lid 1, SW (bepaling over rentevoordeel als vruchtgebruik)
- Art. 21, lid 14, SW in verbinding met art. 10 Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 (bepaling over waardering van rentevoordeel)
Toepassing
- Art. 1, lid 9, Successiewet 1956 (SW) (bepaling over schenkbelasting) Het Hof oordeelde dat de schenking civielrechtelijk in 2008 plaatsvond, toen art. 1, lid 9, SW nog niet van toepassing was. De Staatssecretaris betoogde dat het belastbare feit in 2014 plaatsvond, maar het Hof verwierp dit standpunt omdat de Inspecteur niet kon aantonen dat er een opschortende voorwaarde was afgesproken. De Hoge Raad bevestigde dat de kwijtschelding van de lening niet als schenking kon worden beschouwd zonder bewijs van een opschortende voorwaarde. (Rechtsoverwegingen 3.1, 3.2, 5.2, 5.3)
- Art. 18, lid 1, SW (bepaling over rentevoordeel als vruchtgebruik) De Hoge Raad erkent dat er een mogelijkheid is dat een onzakelijke lening een onvoorwaardelijke gift inhoudt van een rentevoordeel. Dit moet worden vastgesteld op basis van de rentevoordeelregels in art. 18, lid 1, SW. Echter, in deze zaak was er geen bewijs van een expliciete of impliciete afspraak over kwijtschelding, waardoor deze regel niet van toepassing was. (Rechtsoverweging 5.4)
- Art. 21, lid 14, SW in verbinding met art. 10 Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 (bepaling over waardering van rentevoordeel) Er is geen sprake van een waardering van rentevoordeel omdat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een opschortende voorwaarde was die de lening kwijtscheldbaar maakte. De Hoge Raad bevestigt dat zonder een dergelijke bepaling, de lening niet als een schenking kan worden aangemerkt. (Rechtsoverweging 5.4)
Conclusie
De Hoge Raad concludeert dat er geen sprake is van een schenking onder de Successiewet 1956 bij de kwijtschelding van de schuld in 2014, omdat er geen bewijs is van een opschortende voorwaarde. Het beroep van de Staatssecretaris is ongegrond en dat van belanghebbende niet-ontvankelijk.
Partijen en standpunten
- Eiser: Staatssecretaris van FinanciΓ«n
- Gedaagde: [X] (belanghebbende)
De Staatssecretaris betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een schenking onder opschortende voorwaarde. Hij stelt dat het belastbare feit zich na 1 januari 2010 heeft voorgedaan en dat de kwijtschelding van de onzakelijke lening in 2014 een schenking vormt.
Belanghebbende betwist dat er sprake is van een schenking onder opschortende voorwaarde. Hij voert aan dat er geen expliciete of impliciete afspraak was over kwijtschelding van de lening en dat de schenking in 2008 plaatsvond.
Wetsartikelen
Tijdlijn
- 2008 De vader van belanghebbende, enig aandeelhouder van [A] Holding B.V., verstrekt een lening aan een B.V. waarvan belanghebbende enig aandeelhouder is. De lening wordt als onzakelijk aangemerkt.
- 2009 De Holding neemt de vordering van de B.V. op de dochtermaatschappij over.
- 2014 De Holding scheldt de schuld van de dochtermaatschappij kwijt.
- 2014 De Inspecteur legt een aanslag schenkbelasting op voor het jaar 2014 wegens een vermeende schenking bij de kwijtschelding van de schuld.
- 12-07-2022 Het Hof verwerpt het standpunt van de Inspecteur en oordeelt dat de schenking in 2008 heeft plaatsgevonden, niet onder een opschortende voorwaarde.
- 13-07-2022 De griffier van het Hof verzendt een afschrift van de uitspraak aangetekend aan partijen.
- 31-08-2022 Belanghebbende dient een beroepschrift in cassatie in bij de Hoge Raad.
- 25-08-2023 De Advocaat-Generaal concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris en niet-ontvankelijk verklaring van het beroep van belanghebbende.
- 05-04-2024 De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende niet-ontvankelijk en het beroep van de Staatssecretaris ongegrond. De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten.