Vordering niet-ontvankelijk indien civiele rechter al onherroepelijk heeft beslist.
Verduistering van geldbedrag (in totaal € 82.094,27), meermalen gepleegd, art. 321 Sr. 1. Post-Keskin, overleden getuige. Heeft hof verklaringen van inmiddels overleden getuige (aangever) voor bewijs kunnen gebruiken, terwijl verdediging t.a.v. die getuige niet ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen? 2. Vordering benadeelde partij. Kon hof de verdachte veroordelen in proceskosten van b.p.? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Door verdachte betwist onderdeel van verklaring van aangever dat verdachte met notariële volmacht niet het recht verkreeg zich vermogen van aangever toe te eigenen op wijze zoals tlgd., vindt niet alleen steun in tekst van die volmacht en in gedragingen van aangever waaruit kan worden afgeleid dat volmacht niet met die bedoeling is opgesteld, maar ook in gedragingen van verdachte zelf die erop wijzen dat ook zij volmacht kennelijk niet als zodanig heeft opgevat. Gelet hierop is oordeel hof dat bewezenverklaring niet in beslissende mate steunt op verklaring(en) van aangever niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Met zijn overwegingen dat “voor bewijs gebezigde verklaring van aangever op essentiële punten steun [vindt] in verklaringen van andere getuige, die van verdachte en in overige b.m., zodat het verklaring van aangever geloofwaardig acht” resp. dat “niet aannemelijk is geworden dat verdachte o.b.v. relatie die zij met aangever had onbeperkt gelden mocht onttrekken aan vermogen van aangever louter om zichzelf daarmee te bevoordelen”, waarbij hof mede heeft betrokken dat “verdachte zelf ambivalent over haar relatie met aangever heeft verklaard” , heeft hof voorts blijk gegeven betrouwbaarheid van verklaring van aangever te hebben onderzocht in samenhang met overig bewijsmateriaal en in licht van betwisting van die verklaring door verdachte. Dat hof bij zijn oordeel dat ontbreken van ondervragingsmogelijkheid voldoende wordt gecompenseerd daarnaast acht heeft geslagen op i.h.k.v. civiele procedure plaatsgevonden comparitie van partijen, maakt oordeel niet onbegrijpelijk. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat hof verder nog heeft geoordeeld dat overlijden van aangever een goede reden vormt voor het niet kunnen uitoefenen van ondervragingsrecht, is kennelijk oordeel hof dat procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ad 2: Oordeel hof dat verdachte als “in het ongelijk gestelde partij” kan worden aangemerkt en dat b.p. daarom aanspraak heeft op vergoeding van zijn proceskosten is, gelet op afwijzing van vordering b.p., zonder nadere motivering niet begrijpelijk. HR zal zaak zelf afdoen. Wat betreft kosten van procedure in eerste aanleg, ziet HR in omstandigheid dat vordering b.p. in lopende civiele procedure nog niet onherroepelijk was toegewezen op moment dat b.p. vordering indiende, maar dat deze vordering in civiele procedure uiteindelijk wel (grotendeels) toewijsbaar is gebleken en onherroepelijk is toegewezen, aanleiding kosten van die procedure in e.a. te compenseren, in die zin dat iedere partij eigen kosten draagt. Voor procedure in hoger beroep geldt dat oordeel over vordering b.p. in civiele procedure al wel onherroepelijk was op het moment dat b.p. vordering handhaafde. Dat brengt mee dat hof vordering van b.p. niet-ontvankelijk had moeten verklaren v.zv. civiele rechter al over die vordering had geoordeeld. Dit en omstandigheid dat hof heeft afgewezen wat b.p. nog in aanvulling op al door civiele rechter beoordeelde vordering heeft gevorderd, brengt mee dat HR b.p. zal veroordelen in proceskosten van verdachte in h.b. Volgt partiële vernietiging t.a.v. veroordeling verdachte in proceskosten b.p. HR doet zaak zelf af.
Rechtsvraag
Heeft het hof terecht de verdachte veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, gelet op het feit dat de vordering van de benadeelde partij is afgewezen?
Regel
- Art. 6 EVRM (recht op een eerlijk proces)
- Art. 421 lid 3 Sv (voeging benadeelde partij in hoger beroep)
Toepassing
- Art. 6 EVRM (recht op een eerlijk proces) Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met art. 6 EVRM de verklaringen van [benadeelde] voor het bewijs heeft gebruikt, terwijl de verdediging niet het ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit cassatiemiddel niet tot cassatie leidt, zonder nadere motivering te vereisen (2.1, 2.2).
- Art. 421 lid 3 Sv (voeging benadeelde partij in hoger beroep) De vordering van de benadeelde partij was in hoger beroep niet-ontvankelijk, omdat de civiele rechter al onherroepelijk had geoordeeld over de vordering. Het hof heeft echter de verdachte veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, wat onbegrijpelijk is gelet op de afwijzing van de vordering. De Hoge Raad oordeelde dat de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, waardoor de benadeelde partij in de proceskosten van de verdachte in hoger beroep wordt veroordeeld (4.4, 4.5.3).
Conclusie
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof voor zover de verdachte is veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij. De proceskosten in eerste aanleg worden gecompenseerd, en de benadeelde partij wordt veroordeeld in de proceskosten van de verdachte in hoger beroep.
Partijen en standpunten
- Eiser: Benadeelde partij [benadeelde]
- Gedaagde: Verdachte [verdachte]
De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van € 195.317,85 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade, later verlaagd tot € 24.418,98 aan materiële schade. Daarnaast werd € 3.803,25 gevorderd als materiële schade in plaats van proceskosten.
De verdachte stelde dat het hof ten onrechte de verklaringen van de overleden getuige [benadeelde] als bewijs gebruikte zonder ondervragingsrecht voor de verdediging.
Wetsartikelen
Tijdlijn
- 01-01-2017 De verdachte heeft tussen 1 januari 2017 en 14 juli 2017 opzettelijk een geldbedrag van € 82.094,27, toebehorende aan [benadeelde], wederrechtelijk zich toegeëigend in Nederland, België en Duitsland.
- 07-08-2019 De civiele rechter oordeelt dat een bedrag van € 195.317,85 aan de basisrekening van [benadeelde] is onttrokken, waarvan een deel binnen normale levens- en verzorgingskosten valt.
- 28-09-2022 Het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeelt de verdachte onder andere in de proceskosten van de benadeelde partij.
- 24-09-2024 De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het de proceskosten betreft, compenseert de proceskosten in eerste aanleg en veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten van de verdachte in hoger beroep.