Vergoeding bij ontslag op staande voet gebaseerd op opzegtermijn partij die dringende reden geeft.

Hoge Raad · 7 juli 2023 · Cassatie · Civiel recht; Arbeidsrecht

Arbeidsrecht. Art. 7:677 lid 2 en 3 BW. Vergoeding ter grootte van loon over opzegtermijn na ontslag op staande voet. Is bepalend opzegtermijn die geldt voor partij die wederpartij dringende reden geeft?

Rechtsvraag

Heeft het hof bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding op grond van art. 7:677 lid 2 en 3 BW ten onrechte de opzegtermijn van de opzeggende partij (drie maanden) in plaats van de opzegtermijn van de partij die de dringende reden geeft (één maand) gehanteerd?

Regel

  • art. 7:677 lid 2 BW (vergoeding bij dringende reden door opzet of schuld)
  • art. 7:677 lid 3, onder a, BW (hoogte van de vergoeding bij arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd)

Toepassing

  • art. 7:677 lid 2 BW (vergoeding bij dringende reden door opzet of schuld) De werknemer heeft door opzet, althans door schuld, een dringende reden gegeven voor ontslag op staande voet. Dit is bevestigd in een parallelle procedure waarin het hof oordeelde dat de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Daarom is de werknemer een vergoeding verschuldigd aan de werkgever. Dit blijkt uit rechtsoverweging 5.3 en 5.5 van de uitspraak van het hof.
  • art. 7:677 lid 3, onder a, BW (hoogte van de vergoeding bij arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd) Het hof heeft ten onrechte de opzegtermijn van de werkgever (drie maanden) gehanteerd in plaats van de opzegtermijn van de werknemer (één maand) bij de vaststelling van de vergoeding. De vergoeding moet gebaseerd zijn op de opzegtermijn van de partij die de dringende reden geeft, in dit geval de werknemer. Het door het hof toegewezen bedrag van € 17.903,19 is daarom niet volledig toewijsbaar. De Hoge Raad stelt de vergoeding vast op € 5.967,73, gelijk aan het loon over één maand. Dit wordt bevestigd in rechtsoverwegingen 3.3 en 3.4.

Conclusie

De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 juli 2022, voor zover de werknemer is veroordeeld tot betaling van € 17.903,19. De Hoge Raad veroordeelt de werknemer tot betaling van € 5.967,73 bruto, op basis van de juiste opzegtermijn van één maand, en compenseert de proceskosten.

Partijen en standpunten

  • Eiser: de werknemer
  • Gedaagde: Autoschade Zutphen B.V.

De werknemer stelt dat het hof ten onrechte is uitgegaan van de opzegtermijn van drie maanden bij de vaststelling van de vergoeding, in plaats van de opzegtermijn van één maand die voor de werknemer geldt.

De werkgever heeft verzocht het beroep in cassatie te verwerpen en heeft aangevoerd dat de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, wat een dringende reden voor ontslag op staande voet opleverde.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 2009 De werknemer trad in dienst bij Autoschade Zutphen B.V.
  2. 20-10-2020 De werknemer wordt door de werkgever op staande voet ontslagen. Zijn laatstelijk genoten loon bedroeg € 5.967,73 bruto per maand, inclusief vakantietoeslag.
  3. 02-03-2021 De kantonrechter te Zutphen wijst het verzoek van de werkgever af om de werknemer te veroordelen tot betaling van € 17.903,19 bruto op grond van art. 7:677 lid 2 en 3 BW.
  4. 04-07-2022 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigt de beschikking van de kantonrechter en veroordeelt de werknemer tot betaling van € 17.903,19. Het hof oordeelt dat de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat sprake is van opzet of schuld in de zin van art. 7:677 lid 2 BW.
  5. 07-07-2023 De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor zover de werknemer is veroordeeld tot betaling van € 17.903,19. De Hoge Raad oordeelt dat de opzegtermijn van de werknemer (één maand) in plaats van die van de werkgever (drie maanden) had moeten worden gehanteerd. De werknemer wordt veroordeeld tot betaling van € 5.967,73 bruto, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 20 oktober 2020.