Shockschadevergoeding mogelijk bij posttraumatische stressstoornis door confrontatie met gevolgen van misdrijf.
Doodslag door haar achtjarige dochter van flatgebouw in Hoogeveen te doen vallen, art. 287 Sr. Vordering benadeelde partij. Shockschade/schokschade. 1. HR preciseert rechtspraak over schokschade. 2. Kon hof vordering van b.p. (vader die het lichaam van zijn dochter in het mortuarium heeft gezien) t.z.v. schokschade toewijzen, ook al was de confrontatie met het lichaam niet onverhoeds en onvermijdbaar? Ad 1. HR overweegt in aanvulling op HR:2002:AD5356 o.m. het volgende. Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan een hevige emotionele schok teweeg brengt (secundair slachtoffer). Gezichtspunten die daarbij een rol spelen zijn: (a) de aard, toedracht en gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, (b) de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan en (c) de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en secundaire slachtoffer. Het recht op vergoeding van schokschade is beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel waarbij geldt dat zowel de materiële als immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking komt. HR maakt verder opmerkingen over het vereiste dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld en de betekenis van de in dat verband gebruikte uitdrukking ‘in de psychiatrie erkend ziektebeeld’; de mogelijkheid voor de strafrechter om een vordering t.z.v. schokschade deels toe te wijzen en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren (vgl. HR:2019:793); samenloop van aanspraken op vergoeding van schokschade en affectieschade; de toetsing in cassatie van oordelen over de omvang van schokschade. Ad 2. Hof heeft vastgesteld dat de b.p. in het mortuarium is geconfronteerd met het stoffelijk overschot van zijn dochter en de schokkende, destructieve impact van de val op haar lichaam, dat de b.p. door die schokkende ervaring lijdt aan PTSS, dat deze aandoening is gediagnosticeerd door een klinisch psycholoog/psychotherapeut en dat intensieve behandeling daarvan is aangewezen. De hierop gebaseerde toewijzing van de vordering van schokschade geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De omstandigheden dat de b.p. pas op een later moment met de gevolgen van het bewezenverklaarde feit is geconfronteerd en dat die confrontaties in het mortuarium en nadien nog met foto’s niet onverhoeds en ook niet onvermijdbaar waren, doen daaraan - gelet ook op de door het hof als gruwelijk aangemerkte toedracht van het bewezenverklaarde en de directe familieband tussen het slachtoffer en de b.p. - niet af. Volgt verwerping.
Rechtsvraag
Is de toewijzing van de vordering van shockschade aan de benadeelde partij door het hof terecht, gezien de omstandigheden van de confrontatie met de gevolgen van de doodslag en de relatie met het slachtoffer?
Regel
- Art. 6:106 lid 1 sub b BW (vergoeding van immateriële schade bij een hevige emotionele schok)
- HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356 (criteria voor toekenning van shockschade)
- Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie (geen motivering nodig bij niet van belang zijnde rechtsvragen)
- Art. 6 lid 1 EVRM (redelijke termijn voor berechting)
Toepassing
- Art. 6:106 lid 1 sub b BW (vergoeding van immateriële schade bij een hevige emotionele schok) De benadeelde partij, de vader van het slachtoffer, heeft een vordering ingediend voor shockschade. Het hof heeft vastgesteld dat de vader in het mortuarium geconfronteerd werd met de ernstige gevolgen van de doodslag op zijn dochter, wat heeft geleid tot een posttraumatische stressstoornis. Deze diagnose werd in 2018 gesteld door een deskundige, wat de objectieve maatstaven van geestelijk letsel bevestigt. Het hof heeft de schadevergoeding vastgesteld op €20.000, mede gelet op vergelijkbare jurisprudentie. (Rechtsoverweging 3.11)
- HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356 (criteria voor toekenning van shockschade) De Hoge Raad heeft bevestigd dat de confrontatie van de vader met het lichaam van zijn dochter en de gevolgen van de daad voldoende zijn om shockschade toe te kennen. De omstandigheden, zoals de directe familieband en de gruwelijkheid van de daad, spelen een rol bij de toewijzing. De confrontaties waren niet onverhoeds en onvermijdbaar, maar dit doet niet af aan de toewijzing gezien de ernst van de zaak. (Rechtsoverweging 3.12)
- Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie (geen motivering nodig bij niet van belang zijnde rechtsvragen) De Hoge Raad heeft de klachten die niet tot vernietiging van de uitspraak zouden leiden, afgedaan zonder motivering, omdat ze geen belang hebben voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. (Rechtsoverweging 2)
- Art. 6 lid 1 EVRM (redelijke termijn voor berechting) De Hoge Raad heeft geconstateerd dat de redelijke termijn is overschreden doordat de stukken te laat zijn ingezonden en de uitspraak na meer dan zestien maanden na het instellen van cassatieberoep is gedaan. Dit heeft geleid tot een vermindering van de opgelegde straf, die nu negen jaren en acht maanden bedraagt. (Rechtsoverweging 4.2)
Conclusie
De Hoge Raad heeft geconcludeerd dat de toewijzing van shockschade aan de benadeelde partij terecht is, gezien de confrontatie met de gevolgen van de doodslag en de familieband. De klachten over de toewijzing van shockschade zijn ongegrond bevonden. Daarnaast is de straf verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Partijen en standpunten
- Eiser: Vader van [slachtoffer]
- Gedaagde: Verdachte
De eiser vordert vergoeding van shockschade wegens de confrontatie met het stoffelijk overschot van zijn dochter en de daarmee gepaard gaande emotionele schok die resulteerde in een posttraumatische stressstoornis.
De gedaagde betwist de rechtstreekse schade en stelt dat de vordering gebaseerd is op de proceshouding en keuzes van anderen.
Wetsartikelen
- art. 6:6:106 lid 1 BW
- art. 6:6:108 lid 3 BW
- art. 6 lid 1 EVRM
- art. 12 Sv
Tijdlijn
- 08-06-2015 De verdachte heeft opzettelijk het slachtoffer vanaf een grote hoogte van een flatgebouw in Hoogeveen laten vallen, wat resulteerde in de dood van het slachtoffer.
- 07-06-2018 Prof. dr. A. de Keijser, klinisch psycholoog en psychotherapeut, diagnosticeert de vader van het slachtoffer met een posttraumatische stressstoornis (PTSS) als gevolg van de confrontatie met de gevolgen van de dood van zijn dochter.
- 14-12-2020 Tijdens de terechtzitting in hoger beroep voert de advocaat van de benadeelde partij het woord namens de vader van het slachtoffer. Er wordt een vordering tot schadevergoeding voor shockschade ingediend.
- 11-01-2021 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden doet uitspraak in de strafzaak, waarbij de verdachte wordt veroordeeld en de vordering van shockschade van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van € 20.000.
- 21-00112 De verdachte stelt beroep in cassatie in tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
- 22-02-2022 De advocaat-generaal P.C. Vegter concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de opgelegde straf en tot vermindering daarvan.
- 28-06-2022 De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, vermindert deze met één maand, en verwerpt het beroep voor het overige.