Vrijstelling motorrijtuigenbelasting kan beperkt worden tot begin tijdvak verzoek indien geen bijzondere omstandigheden.

Hoge Raad · 2 september 2022 · Cassatie · Bestuursrecht; Belastingrecht

Motorrijtuigenbelasting; art. 72, lid 1, letter n, Wet MRB 1994; art. 27, leden 1 en 5, Uitv.besl. MRB 1994; artt. 3:4 en 4:20b en 4:84 Awb; vrijstelling voor taxivoertuigen; terugwerkende kracht; evenredigheidsbeginsel.

Rechtsvraag

De centrale juridische vraag is of de Inspecteur de taxivrijstelling van motorrijtuigenbelasting met terugwerkende kracht tot de datum van ingebruikneming van de personenauto's had moeten verlenen.

Regel

  • art. 72, lid 1, Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (WMB) (Vrijstelling motorrijtuigenbelasting voor taxi's)
  • art. 4:20b, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (Awb) (Besluit van rechtswege bij niet tijdig beslissen)
  • art. 4:20e Awb (Ingangstijdstip van rechtswege gegeven beschikking)
  • art. 27, lid 5, Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (Discretionaire bevoegdheid voor ingangsdatum vrijstelling)
  • art. 3:4 Awb (Belangenafweging)
  • art. 4:84 Awb (Afwijking van beleidsregels bij onevenredige gevolgen)
  • art. 63 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) (Hardheidsclausule)

Toepassing

  • art. 72, lid 1, Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (WMB) (Vrijstelling motorrijtuigenbelasting voor taxi's) Belanghebbende heeft voor 338 personenauto's die voor taxivervoer worden gebruikt, verzuimd om tijdig vrijstelling aan te vragen. De vrijstellingsbeschikkingen zijn uiteindelijk van rechtswege verleend met een beperkte terugwerkende kracht, niet tot de datum van ingebruikneming zoals belanghebbende wenste.
  • art. 4:20b, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (Awb) (Besluit van rechtswege bij niet tijdig beslissen) De Inspecteur heeft niet tijdig beslist op de verzoeken van belanghebbende, waardoor de vrijstellingsbeschikkingen van rechtswege zijn verleend. Echter, de ingangsdatum van deze beschikkingen is het begin van het tijdvak waarin het verzoek is ontvangen.
  • art. 4:20e Awb (Ingangstijdstip van rechtswege gegeven beschikking) Het Hof oordeelde dat de beleidsregel van de staatssecretaris, waarin wordt bepaald dat de ingangsdatum van rechtswege gegeven beschikkingen het begin van het tijdvak is waarin het verzoek is ingediend, ook van toepassing is.
  • art. 27, lid 5, Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (Discretionaire bevoegdheid voor ingangsdatum vrijstelling) Het Hof oordeelde dat de Inspecteur de bevoegdheid heeft om af te wijken van de standaard ingangsdatum. Echter, de Hoge Raad oordeelt dat deze bevoegdheid niet betekent dat de Inspecteur verplicht was om een verdergaande terugwerkende kracht toe te kennen dan in de beleidsregel is vastgelegd.
  • art. 3:4 Awb (Belangenafweging) Het Hof vond dat de Inspecteur onvoldoende had aangetoond dat de belangenafweging in het voordeel van de beleidsregel moest uitvallen. De Hoge Raad oordeelt echter dat de belangen van de belastingdienst bij een praktische uitvoering zwaarder wegen.
  • art. 4:84 Awb (Afwijking van beleidsregels bij onevenredige gevolgen) De Hoge Raad oordeelt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van het Kaderbesluit rechtvaardigen. De eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende om tijdig vrijstelling aan te vragen weegt zwaarder.

Conclusie

De Hoge Raad oordeelt dat de Inspecteur de taxivrijstelling niet met terugwerkende kracht tot de datum van ingebruikneming van de personenauto's hoeft te verlenen. De Inspecteur heeft terecht de beleidsregel gevolgd, en er zijn geen bijzondere omstandigheden die een verdergaande terugwerkende kracht rechtvaardigen. Het beroep in cassatie is gegrond, de uitspraak van het Hof wordt vernietigd en de uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd.

Partijen en standpunten

  • Eiser: Staatssecretaris van Financiën
  • Gedaagde: [X] B.V.

De Staatssecretaris van Financiën betwist de beslissing van het Hof dat de Inspecteur de taxivrijstelling met terugwerkende kracht had moeten verlenen tot de datum van ingebruikneming van de auto's.

[X] B.V. stelt dat de vrijstellingsbeschikkingen van rechtswege zijn gegeven vanaf de data waarop de voertuigen in gebruik zijn genomen voor taxivervoer, en dat de Inspecteur in redelijkheid de vrijstellingsbeschikkingen met terugwerkende kracht had moeten verlenen.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 2016 Belanghebbende ontdekte dat zij had verzuimd om voor 338 personenauto’s, die waren geregistreerd voor taxivervoer, vrijstelling van motorrijtuigenbelasting aan te vragen bij de Inspecteur.
  2. 10-08-2016 Belanghebbende diende een verzoek in bij de Inspecteur om vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor de betrokken voertuigen, met terugwerkende kracht vanaf de datum van ingebruikneming.
  3. 20-08-2016 Belanghebbende diende een tweede verzoek in bij de Inspecteur voor vrijstelling van motorrijtuigenbelasting.
  4. 25-08-2016 Belanghebbende diende een derde verzoek in bij de Inspecteur.
  5. 26-08-2016 Belanghebbende diende een vierde verzoek in bij de Inspecteur.
  6. 06-09-2016 Belanghebbende diende een vijfde verzoek in bij de Inspecteur.
  7. 12-2016 De Inspecteur verleende van rechtswege vrijstellingsbeschikkingen en maakte deze bekend in december 2016 en januari 2017, met ingangsdatum van het vrijstellingstijdvak waarin het verzoek werd ontvangen.
  8. 01-2017 De Inspecteur maakte de vrijstellingsbeschikkingen bekend bij brieven in januari 2017.
  9. 27-02-2017 De Inspecteur maakte nog meer vrijstellingsbeschikkingen bekend.
  10. 06-03-2017 De Inspecteur maakte de laatste vrijstellingsbeschikkingen bekend.
  11. 03-06-2020 Het Hof oordeelde dat de vrijstellingsbeschikkingen met terugwerkende kracht tot de datum van ingebruikneming van de voertuigen moesten worden verleend.
  12. 30-06-2021 De Advocaat-Generaal concludeerde tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.