Cautie niet vereist zonder redelijk vermoeden van schuld bij vragen aan verdachten.
Aanwezig hebben van cocaïne (art. 2.C Opiumwet) en voorbereidingshandelingen m.b.t. handel in cocaïne (art. 10.1.3 Opiumwet). Cautie ex art. 29.2 Sv. Hadden opsporingsambtenaren verdachte de cautie moeten geven voordat ze hem vroegen of hij drugs bij zich had? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2018:2056 m.b.t. redelijk vermoeden van schuld en verhoorsituatie. Hof heeft geoordeeld dat aan verdachte niet de in art. 29.2 Sv bedoelde mededeling hoefde te worden gedaan voorafgaand aan de door opsporingsambtenaren gestelde vragen “of hij spullen bij zich had welke hij niet bij zich mocht hebben” en “of hij verdovende middelen bij zich had”, omdat deze vragen niet gaan over betrokkenheid van verdachte bij strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte is aangemerkt. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat hof kennelijk heeft geoordeeld dat op het moment dat opsporingsambtenaren de hiervoor bedoelde vragen aan verdachte stelden, (nog) geen redelijk vermoeden van schuld bestond t.z.v. aanwezig hebben van verboden spullen in het algemeen of van overtredingen van Opiumwet, omdat deze opsporingsambtenaren niet meer hadden geconstateerd dan dat verdachte zich zonder redelijk doel ophield bij een portiek. Omstandigheid dat opsporingsambtenaren de verdachte daarbij meenden te herkennen als een hun ambtshalve bekende drugsgebruiker of -dealer maakt dit niet anders. Volgt verwerping.
Rechtsvraag
Moesten de opsporingsambtenaren de verdachte de cautie geven voordat zij hem vroegen of hij drugs bij zich had, en leidt het achterwege laten van de cautie tot een vormverzuim dat zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting en vrijspraak?
Regel
- art. 6 EVRM (recht op een eerlijk proces)
- art. 29 lid 2 Sv (bescherming tegen ongewilde medewerking aan eigen veroordeling)
- art. 27 lid 1 Sv (definitie van verdachte)
Toepassing
- art. 6 EVRM (recht op een eerlijk proces) Het hof oordeelde dat er geen sprake was van een schending van het recht op een eerlijk proces, omdat er geen sprake was van een verhoorsituatie die verplichtte tot het geven van de cautie. De vragen die aan de verdachte werden gesteld, gingen niet over zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit waarvoor hij als verdachte was aangemerkt. Daarom was er geen sprake van een vormverzuim dat zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting. (Rechtsoverweging 2.2.3)
- art. 29 lid 2 Sv (bescherming tegen ongewilde medewerking aan eigen veroordeling) De Hoge Raad bevestigde dat de verdachte niet de cautie hoefde te worden gegeven, omdat de vragen niet over zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit gingen waarvoor hij als verdachte was aangemerkt. Er was op dat moment geen redelijk vermoeden van schuld, omdat de opsporingsambtenaren alleen hadden geconstateerd dat de verdachte zich zonder redelijk doel ophield bij een portiek. (Rechtsoverweging 2.4)
- art. 27 lid 1 Sv (definitie van verdachte) Het hof oordeelde dat er geen redelijk vermoeden van schuld was op het moment van de vraagstelling, omdat de opsporingsambtenaren niet meer hadden geconstateerd dan dat de verdachte zich zonder redelijk doel ophield bij een portiek. Ook de herkenning van de verdachte als een bekende drugsgebruiker of -dealer was onvoldoende om een redelijk vermoeden van schuld aan te nemen. (Rechtsoverweging 2.4)
Conclusie
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep omdat er geen sprake was van een verhoorsituatie die verplichtte tot het geven van de cautie. Er was geen redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit op het moment van de vraagstelling aan de verdachte, waardoor er geen vormverzuim is dat zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting en vrijspraak.
Partijen en standpunten
- Eiser: [Verdachte]
- Gedaagde: Het Openbaar Ministerie
De eiser stelt dat de opsporingsambtenaren hem de cautie hadden moeten geven voordat zij vroegen of hij drugs bij zich had, wat een vormverzuim oplevert in strijd met artikel 6 EVRM.
Het OM betoogt dat er geen sprake was van een verhoorsituatie waarvoor een cautie vereist was, omdat er geen redelijk vermoeden van schuld was op het moment van de vragenstelling.
Wetsartikelen
- art. 29 Sv
- art. 27 lid 1 Sv
- art. 29 lid 2 Sv
- art. 6 EVRM
Tijdlijn
- 08-08-2018 Op de [a-straat] te Den Haag zagen opsporingsambtenaren een man die zij herkenden als een bekende drugsgebruiker/dealer. Zij hielden de man staande en vroegen hem of hij verdovende middelen bij zich had. De man, [verdachte], gaf aan dat hij 'alleen voor eigen gebruik' drugs bij zich had. Hierop werd hij om 21.20 uur aangehouden wegens bezit van harddrugs, en werden bolletjes cocaïne, een mobiele smartphone en een klaptelefoon in beslag genomen.
- 02-12-2019 Het gerechtshof Den Haag verwerpt het verweer van de verdachte dat de opsporingsambtenaren de cautie hadden moeten geven voordat ze hem vroegen of hij drugs bij zich had. Het hof oordeelt dat er geen sprake was van een verhoorsituatie, omdat er nog geen redelijk vermoeden van schuld was op het moment van het stellen van de vragen.
- 15-06-2021 De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de verdachte. Het cassatiemiddel dat klaagt over de verwerping door het hof van het verweer omtrent de cautie wordt afgewezen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven en dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is.