Kroongetuigenovereenkomsten en levenslange straf voldoen aan wettelijke en EVRM-eisen.

Hoge Raad · 23 april 2019 · Cassatie · Strafrecht

Liquidatieproces Passage. Verdachte is veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf voor betrokkenheid bij zes moorden, twee pogingen tot moord (art. 289 Sr) en deelneming aan een criminele organisatie (art. 140.1 Sr). 1. Kroongetuigenregeling, art. 226g Sv en art. 44a Sr. 2. Verenigbaarheid levenslange gevangenisstraf met art. 3 EVRM. Ad 1. HR wijdt voorafgaande beschouwingen aan gebruik van verklaringen van kroongetuigen. Daarin schetst HR de hoofdlijnen van de wettelijke regeling en gaat hij in op (a) vraag of toezeggingen aan kroongetuige ook betrekking mogen hebben op ontnemingsvordering, (b) vraag of toezeggingen m.b.t. feitelijke bescherming van getuige (art. 226l Sv) onderdeel uitmaken van in art. 226g.1 Sv bedoelde afspraak en (c) toetsing door rechter (RC enerzijds en zittingsrechter anderzijds) van toezeggingen en gebruik van kroongetuigenverklaring voor bewijs. Ad (a) Het door art. 226g.1 Sv jo. art. 44a Sr bepaalde kader voorziet er niet in dat zo een toezegging voorwerp is van een afspraak in de zin van art. 226g.1 Sv. HR zet uiteen wat dit betekent voor schikkingsbevoegdheid van OvJ ex art. 511c Sv. Ad (b) Toezeggingen m.b.t. feitelijke bescherming maken geen onderdeel uit van in art. 226g.1 Sv bedoelde afspraak en kunnen ook niet worden beschouwd als afspraken in de zin van art. 226g.4 Sv. Ad (c) Rechtmatigheidstoets die RC uitvoert, omvat allereerst een beoordeling of afspraak in overeenstemming is met de art. 226g.1 Sv genoemde voorwaarden. Bij beoordeling of het maken van afspraak voorts voldoet aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, houdt RC rekening met dringende noodzaak en belang van verkrijgen van getuigenverklaring. RC geeft een oordeel over betrouwbaarheid van getuige nadat hij deze heeft gehoord (art. 226h.3 Sv). Het is voorbehouden aan (zittings)rechter die over de feiten oordeelt om datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. T.a.v. deze beslissing gelden, indien die verklaring voor bewijsvoering wordt gebruikt, geen bijzondere andere wettelijke bewijs(motiverings)voorschriften dan genoemd in art. 360.2, 360.4, 344a.4, 359.2 en 359a Sv. In cassatie gelden m.b.t. toetsing van beslissing inzake de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal evenmin bijzondere regels. HR oordeelt dat de middelen over de kroongetuigen falen. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2017:3185 m.b.t. regelgeving over tul levenslange gevangenisstraf, i.h.b. Besluit Adviescollege levenslanggestraften. Nederlands recht voorziet in zodanig stelsel van herbeoordeling op grond waarvan in zich daarvoor lenende gevallen kan worden overgegaan tot verkorting van levenslange gevangenisstraf, dat oplegging daarvan niet in strijd met art. 3 EVRM is. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat voor verdachte onvoldoende duidelijk is welke criteria worden aangelegd bij de procedure van herbeoordeling en dat onzeker is of aan verdachte gedurende zijn detentie voldoende op rehabilitatie gerichte activiteiten worden aangeboden om bij herbeoordeling in aanmerking te kunnen komen voor verkorting levenslange gevangenisstraf. Daarbij is nog van belang dat de wijze waarop het nieuwe stelsel van herbeoordeling in de praktijk zal worden toegepast, in de toekomst ligt besloten. De onvermijdelijk uit die realiteit voortvloeiende onzekerheden ontnemen aan de oplegging van levenslange gevangenisstraf echter niet verenigbaarheid met art. 3 EVRM, i.h.b. ook niet omdat levenslanggestraften mogelijkheid hebben de wijze waarop straf daadwerkelijk wordt tenuitvoergelegd voor te leggen aan penitentiaire rechter en burgerlijke rechter. Volgt verwerping. Samenhang met 17/03276, 17/03297, 17/03339, 17/03459 en 17/04015.

Rechtsvraag

De centrale juridische vraag is of de door het Openbaar Ministerie gesloten kroongetuigenovereenkomsten en de opgelegde levenslange gevangenisstraffen in strijd zijn met de wet en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), met name art. 3 EVRM.

Regel

  • art. 226g Sv (Wetboek van Strafvordering) (Regels voor afspraken met kroongetuigen)
  • art. 44a Sr (Wetboek van Strafrecht) (Strafvermindering voor meewerkende verdachten)
  • art. 3 EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) (Verbod op onmenselijke behandeling of bestraffing)

Toepassing

  • art. 226g Sv (Wetboek van Strafvordering) (Regels voor afspraken met kroongetuigen) De Hoge Raad oordeelt dat de afspraken met de kroongetuigen rechtmatig zijn. Het Openbaar Ministerie heeft binnen de wettelijke kaders gehandeld door afspraken te maken die niet in strijd zijn met art. 226g Sv. Ook is er geen sprake van onrechtmatige financiële beloning omdat de afspraken over het niet instellen van een ontnemingsvordering gebaseerd zijn op een gebrek aan verhaalsmogelijkheden. De afspraken zijn in overeenstemming met de wettelijke regeling en zijn niet aan te merken als een verkapte beloning voor het afleggen van verklaringen. (Rechtsoverwegingen 6.2, 6.3, 7.2)
  • art. 44a Sr (Wetboek van Strafrecht) (Strafvermindering voor meewerkende verdachten) De Hoge Raad bevestigt dat de afspraken met kroongetuigen, die leiden tot strafvermindering, voldoen aan de vereisten van art. 44a Sr. Het Hof heeft terecht overwogen dat de kroongetuigen een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de opsporing en vervolging van misdrijven, wat strafvermindering rechtvaardigt. De afspraken zijn getoetst door de rechter-commissaris en rechtmatig bevonden. (Rechtsoverwegingen 3.4, 3.13)
  • art. 3 EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) (Verbod op onmenselijke behandeling of bestraffing) De Hoge Raad oordeelt dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf niet in strijd is met art. 3 EVRM. Het Nederlandse recht voorziet in een herbeoordelingsstelsel dat het mogelijk maakt om in de toekomst tot verkorting van de levenslange straf over te gaan, wat in overeenstemming is met de vereisten van art. 3 EVRM. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat de levenslange straf niet in strijd is met internationale mensenrechtennormen. (Rechtsoverwegingen 10.2.1, 10.2.2, 10.3.1)

Conclusie

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. De afspraken met de kroongetuigen zijn rechtmatig en de levenslange gevangenisstraf is niet in strijd met art. 3 EVRM. Het arrest van het Hof blijft in stand.

Partijen en standpunten

  • Eiser: [verdachte]
  • Gedaagde: Het Openbaar Ministerie

De verdachte betoogt dat de afspraken met kroongetuigen onrechtmatig zijn en dat de levenslange gevangenisstraf niet voldoet aan de eisen van art. 3 EVRM.

Het OM verdedigt de rechtmatigheid van de kroongetuigenovereenkomsten en stelt dat de levenslange straf voldoet aan het EVRM.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 1993-2006 De verdachte wordt verdacht van betrokkenheid bij zeven moorden en daarmee verband houdende misdrijven in de periode 1993-2006.
  2. 29-06-2017 Het Gerechtshof Amsterdam veroordeelt de verdachte in hoger beroep voor betrokkenheid bij zes moorden, twee pogingen tot moord en deelneming aan een criminele organisatie, en legt een levenslange gevangenisstraf op.
  3. Onbekend Het Openbaar Ministerie sluit een kroongetuigenovereenkomst met twee verdachten in het Passageproces, waarbij verklaringen zijn afgelegd in ruil voor strafvermindering.
  4. Onbekend De verdachte stelt cassatieberoep in bij de Hoge Raad tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam.
  5. 23-04-2019 De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de verdachte, oordelend dat de cassatieklachten niet slagen en het arrest van het Hof in stand blijft.