Bereidheid alleen om hulp te accepteren voorkomt geen ondertoezichtstelling; daadwerkelijke acceptatie vereist.

Hoge Raad · 16 februari 2018 · Beschikking · Civiel recht

Jeugdrecht. Ondertoezichtstelling, art. 1:255 lid 1, onder a, BW. Uitleg van het vereiste dat de noodzakelijke zorg “niet of onvoldoende wordt geaccepteerd”.

Rechtsvraag

De centrale rechtsvraag is of het hof de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling van de minderjarigen correct heeft toegepast, met name of het hof terecht heeft geoordeeld dat de noodzakelijke zorg voor de minderjarigen niet of onvoldoende door de moeder wordt geaccepteerd.

Regel

  • art. 1:255 lid 1 BW (ondertoezichtstelling van een minderjarige mogelijk indien de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de noodzakelijke zorg niet of onvoldoende wordt geaccepteerd)

Toepassing

  • art. 1:255 lid 1 BW (ondertoezichtstelling van een minderjarige mogelijk indien de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de noodzakelijke zorg niet of onvoldoende wordt geaccepteerd) Het hof heeft vastgesteld dat hoewel de moeder bereid is om hulp te accepteren, zij soms haar instemming met de hulpverlening intrekt en niet in staat is om de rust en stabiliteit te creëren die de minderjarigen nodig hebben. Deze bevindingen wijzen erop dat de noodzakelijke zorg niet voldoende wordt benut, ook al is er bereidheid tot acceptatie. Dit rechtvaardigt de ondertoezichtstelling volgens de wettelijke criteria. Het hof heeft geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de wettelijke criteria zijn vervuld. (Rechtsoverwegingen 3.3.3 en 3.3.4)

Conclusie

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de moeder. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling zijn vervuld, omdat de noodzakelijke zorg voor de minderjarigen niet of onvoldoende door de moeder wordt geaccepteerd, ondanks haar bereidheid om hulp te aanvaarden.

Partijen en standpunten

  • Eiser: De moeder
  • Gedaagde: Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdbescherming Noord

De moeder stelt dat het hof ten onrechte de ondertoezichtstelling van haar minderjarige kinderen heeft bekrachtigd zonder voldoende vast te stellen dat de noodzakelijke zorg niet of onvoldoende door haar wordt geaccepteerd.

De Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdbescherming Noord hebben geen verweer gevoerd.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 2007 Vanaf 2007 is hulpverlening ingezet voor de moeder en haar kinderen.
  2. 11-2016 De Raad voor de Kinderbescherming stelde een rapport op waarin doelen werden vastgesteld die de moeder moest behalen met vrijwillige hulp.
  3. 18-04-2017 De rechtbank Noord-Nederland stelt de minderjarigen onder toezicht.
  4. 23-05-2017 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen.
  5. 11-12-2017 De advocaat van de moeder reageert per brief op de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal die strekte tot verwerping van het cassatieberoep.
  6. 16-02-2018 De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de moeder tegen de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.