Maten maatschap persoonlijk aansprakelijk voor verplichtingen maatschap, mede-gecontracteerde kan individuele maten dagvaarden.

Hoge Raad Β· 15 maart 2013 Β· Cassatie Β· Civiel recht

Opdracht aan advocatenmaatschap. Persoonlijke aansprakelijkheid maten voor gelijke delen (art. 7A:1679-1681 BW) dan wel hoofdelijk (art. 7:407 lid 2 BW). Instellen vordering tegen gezamenlijke maten (HR 5 november 1976, LJN AB7103, NJ 1977/586) of tegen individuele (rechts)personen. Verhaal op afgescheiden vermogen van de maatschap (art. 3:192 in verbinding met art. 3:189 lid 2 BW) of op privΓ©vermogens. Dagvaarding op naam van maatschap of op naam van individuele leden. Bevoegdheid rechter niet-gedagvaarde leden van maatschap in het geding te laten betrekken, art. 118 Rv. Persoonlijke aansprakelijkheid op grond van art. 7:404 BW; praktijkvennootschap.

Rechtsvraag

Is de maatschap en/of de individuele maten persoonlijk aansprakelijk voor de beroepsfouten die door een van de maten (verweerder 1) zijn gemaakt tijdens de uitvoering van de opdracht aan de maatschap?

Regel

  • Art. 3:316 lid 2 BW (Verjaringstermijn en stuiting van rechtsvordering)
  • Art. 3:310 BW (Verjaring van rechtsvorderingen tot schadevergoeding)
  • Art. 7:407 lid 2 BW (Hoofdelijke aansprakelijkheid van opdrachtnemers)
  • Art. 7:404 BW (Persoonlijke uitvoering van de opdracht)
  • Art. 7A:1679-1681 BW (Aansprakelijkheid van maten voor verplichtingen van de maatschap)

Toepassing

  • Art. 3:316 lid 2 BW (Verjaringstermijn en stuiting van rechtsvordering) De brief van 17 juni 2009 had volgens het hof geen stuitende werking omdat deze niet gericht was aan de maatschap of de gezamenlijke maten, maar aan een vijftal natuurlijke personen. De Hoge Raad oordeelt echter dat dit oordeel gebaseerd is op een onjuiste rechtsopvatting.
  • Art. 3:310 BW (Verjaring van rechtsvorderingen tot schadevergoeding) Het hof oordeelde dat de vorderingen verjaard waren, deels omdat de termijn van art. 3:316 lid 2 BW was verstreken en deels omdat de vijfjaarstermijn van art. 3:310 BW was verstreken. De Hoge Raad bevestigt dat de verjaringstermijnen correct zijn toegepast.
  • Art. 7:407 lid 2 BW (Hoofdelijke aansprakelijkheid van opdrachtnemers) Het hof stelde dat [eiseres] de maatschap in rechte had moeten betrekken en niet de individuele maten. De Hoge Raad oordeelt echter dat [eiseres] ook de individuele maten mocht dagvaarden en dat zij hen aansprakelijk kon stellen voor het geheel.
  • Art. 7:404 BW (Persoonlijke uitvoering van de opdracht) Het hof oordeelde dat [verweerder 1] niet persoonlijk aansprakelijk was omdat hij via een praktijkvennootschap werkte. De Hoge Raad oordeelt echter dat dit de persoonlijke aansprakelijkheid niet uitsluit als de opdracht met het oog op de persoon van [verweerder 1] is verleend.
  • Art. 7A:1679-1681 BW (Aansprakelijkheid van maten voor verplichtingen van de maatschap) Het hof stelde dat de maatschap aansprakelijk was en niet de individuele maten. De Hoge Raad oordeelt echter dat de individuele maten ook persoonlijk aansprakelijk kunnen zijn voor de verplichtingen van de maatschap.

Conclusie

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam en verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling. De Hoge Raad oordeelt dat [eiseres] de individuele maten kon dagvaarden en dat deze persoonlijk aansprakelijk kunnen zijn voor de beroepsfouten, ongeacht of zij via een praktijkvennootschap werkten.

Partijen en standpunten

  • Eiser: [Eiseres]
  • Gedaagde: [Verweerder 1], [Verweerster 2], [Verweerder 3], [Verweerder 4], [Verweerder 5]

[Eiseres] vordert diverse bedragen van [verweerder] c.s. wegens drie beroepsfouten van [verweerder 1], waaronder het te laat betekenen van een dagvaarding, waardoor vorderingen zijn verjaard.

[Verweerder] c.s. stellen dat [eiseres] niet de juiste personen heeft gedagvaard en dat de vorderingen zijn verjaard. Zij wijzen erop dat de maatschap geen rechtspersoonlijkheid heeft en dat de opdrachten aan de praktijkvennootschappen zijn gegeven.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 1991 Verweerder 1 treedt door middel van zijn praktijkvennootschap toe tot de maatschap.
  2. 1994 Verweerder 4 treedt persoonlijk toe tot de maatschap.
  3. Medio 1994 Verweerder 1 begint als advocaat werkzaamheden te verrichten voor eiseres, Bouw- en Exploitatiemaatschappij Roham B.V. en Wide Alley Properties B.V.
  4. 1996 Verweerder 1 start op 8 februari 1996 een procedure namens eiseres tegen betrokkene 1.
  5. 01-01-2000 Verweerder 5 treedt persoonlijk toe tot de maatschap.
  6. 2000 Verweerster 2 treedt door middel van haar praktijkvennootschap toe tot de maatschap.
  7. Medio 2002 Praktijkvennootschap van verweerder 4 neemt zijn plaats in als lid van de maatschap.
  8. Begin 2003 Praktijkvennootschap van verweerder 5 neemt zijn plaats in als lid van de maatschap.
  9. 17-09-2003 Het gerechtshof te 's-Gravenhage wijst de eis van eiseres af in de procedure tegen betrokkene 1.
  10. 17-06-2004 Uiterste datum voor betekening van de dagvaarding tegen betrokkene 1 volgens art. 3:316 lid 2 BW.
  11. 23-06-2004 Dagvaarding tegen betrokkene 1 wordt te laat, namelijk op 23 juni 2004, betekend.
  12. 08-07-2004 Eiseres stelt de maatschap en alle maten aansprakelijk voor de schade door de te late betekening van de dagvaarding.