Ouderlijk vruchtgenot geldt niet voor onder bewind gestelde rente tot meerderjarigheid zoon zonder toestemming bewindvoerder.
Familierecht. Erfrecht. Erfdeel onder testamentair bewind totdat erfgenaam 22 jaar is. Renteopbrensten van onder bewind gesteld vermogen: burgerlijke vrucht? Art. 3:9 lid 2 BW. Ouderlijk vruchtgenot over renteopbrengsten? Art. 1:253l BW. Renteopbrengsten opeisbaar? Art. 4:175 lid 1, aanhef en onder b, BW. Bevoegdheid bewindvoerder. Art. 4:162 en 4:171 lid 1 BW. Belang bij beroep op niet-ontvankelijkheid?
Rechtsvraag
De centrale juridische vraag is of de vader aanspraak kan maken op de rente die is gegenereerd door het onder bewind gestelde vermogen van zijn zoon, ondanks de bepalingen in het testament en de bijbehorende BEM-clausule.
Regel
- Art. 3:9 BW (Burgerlijke vrucht)
- Art. 1:253l BW (Ouderlijk vruchtgenot)
- Art. 4:171 lid 1 BW (Testamentair bewind)
- Art. 4:175 lid 1, aanhef en onder b, BW (Schulden van de nalatenschap)
Toepassing
- Art. 3:9 BW (Burgerlijke vrucht) De renteopbrengsten worden als burgerlijke vruchten gezien. Echter, de bewindvoerder heeft op basis van het testament bepaald dat de rente pas uitgekeerd wordt na meerderjarigheid van de zoon, waardoor ze niet opeisbaar zijn en dus niet onder het ouderlijk vruchtgenot vallen.
- Art. 1:253l BW (Ouderlijk vruchtgenot) Hoewel de vader het ouderlijk vruchtgenot heeft, kan hij geen aanspraak maken op de rente, aangezien deze niet opeisbaar is door de bepaling van de bewindvoerder onder het testamentair bewind.
- Art. 4:171 lid 1 BW (Testamentair bewind) De bewindvoerder heeft de bevoegdheid om te bepalen wanneer de rente aan de zoon wordt uitgekeerd. Deze bevoegdheid is in overeenstemming met het testament en niet in strijd met het ouderlijk vruchtgenot.
- Art. 4:175 lid 1, aanhef en onder b, BW (Schulden van de nalatenschap) De vordering van de vader op de vruchten van het vermogen kan niet worden uitgewonnen omdat deze niet correspondeert met een schuld die onder het bewind valt.
Conclusie
De Hoge Raad verwerpt het principale beroep van de vader. De vader kan geen aanspraak maken op de renteopbrengsten van het onder bewind gestelde vermogen van zijn zoon, omdat de bewindvoerder terecht heeft bepaald dat deze rente pas bij meerderjarigheid aan de zoon wordt uitgekeerd, en deze bepaling is in overeenstemming met het testament en de wet.
Partijen en standpunten
- Eiser: de vader
- Gedaagde: de vereffenaar en de bewindvoerder
De vader claimt recht op ouderlijk vruchtgenot van rente op het vermogen van de zoon, dat onder bewind is gesteld.
De bewindvoerder stelt dat de rente onder bewind blijft tot meerderjarigheid van de zoon en niet opeisbaar is, waardoor ouderlijk vruchtgenot niet van toepassing is.
Wetsartikelen
Tijdlijn
- [geboortedatum] 2000 Uit een affectieve relatie tussen de vader en de moeder wordt de zoon geboren. De vader erkent de zoon.
- 29-09-2003 De vader en de moeder sluiten een geregistreerd partnerschap.
- 24-07-2004 Het geregistreerd partnerschap tussen de vader en de moeder eindigt. Op dezelfde dag sluiten zij een overeenkomst voor de afwikkeling van hun partnerschap, inclusief de onderneming.
- 10-06-2005 De moeder overlijdt. Vanaf dat moment oefent de vader alleen het ouderlijk gezag uit over de zoon.
- 10-06-2005 De zoon is de enige erfgenaam van de moeder op basis van haar testament en aanvaardt de erfenis onder voorrecht van boedelbeschrijving. Het erfdeel van de zoon wordt onder bewind gesteld.
- 02-06-2008 De rechtbank benoemt een vereffenaar tot wettelijke vereffenaar van de nalatenschap van de moeder vanwege geschillen tussen de vader en de bewindvoerder over de uitvoering van de overeenkomst uit 2004.
- 03-2009 De vader, de vereffenaar en de bewindvoerder sluiten een vaststellingsovereenkomst waarin afspraken worden gemaakt over de inschrijving van het merk 'Universol' en de verdeling van de inkomsten.
- 15-02-2011 De vereffenaar informeert de kantonrechter dat een bankrekening voor de zoon is geopend met een BEM-clausule en vraagt om een beschikking dat deze clausule blijft gelden tot de zoon 22 jaar is.
- 21-07-2011 De kantonrechter verleent machtiging dat de BEM-clausule op de rekening tot de zoon 22 jaar is geldig blijft, en bepaalt dat de vader de rente niet kan genieten zonder toestemming.
- 21-07-2011 De vader stelt hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter, onder aanvoering van zijn recht op ouderlijk vruchtgenot.
- 11-04-2012 Het hof bekrachtigt de uitspraak van de kantonrechter en oordeelt dat de vader geen aanspraak kan maken op de rente zolang deze niet opeisbaar is.
- 2013 De vader gaat in cassatie tegen de beschikking van het hof.