Ne bis in idem (ECLI:NL:HR:2011:BM9102)
Wijziging tenlastelegging niet toegestaan als feiten juridisch en feitelijk wezenlijk verschillen.
“hetzelfde feit” als bedoeld in art. 68 Sr. Vordering tot wijziging van de tenlastelegging, art. 313 Sv. De HR verduidelijkt in voorafgaande beschouwingen de maatstaf voor de toepassing van art. 68 Sr en art. 313 Sv over “hetzelfde feit”. De aan verdachte verweten gedraging is in de tenlastelegging omschreven als het voorhanden hebben van materialen en stoffen die bestemd of geschikt zijn om te worden gebruikt bij onder meer het bereiden van middelen als bedoeld in lijst I bij de Opiumwet, en in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging als het verwerven, voorhanden hebben, overdragen en/of omzetten van een uit enig misdrijf afkomstig geldbedrag. De tenlastelegging is toegesneden op art. 10a Opiumwet en de vordering tot wijziging van de tenlastelegging op art. 420bis Sr. Zowel het verschil in de juridische aard van de aan verdachte verweten feiten als het verschil tussen de omschreven gedragingen is dermate groot dat geen sprake kan zijn van "hetzelfde" feit in de zin van art. 68 Sr. Het Hof heeft de vordering tot wijziging van de tenlastelegging dus ten onrechte toegewezen.
Rechtsvraag
De centrale rechtsvraag is of de vordering tot wijziging van de tenlastelegging toelaatbaar is, namelijk of de in de aanvankelijke tenlastelegging en de gevorderde wijziging daarvan omschreven gedragingen hetzelfde feit opleveren in de zin van art. 68 Sr en art. 313 Sv.
Regel
- art. 68 Sr (niemand kan opnieuw worden vervolgd voor hetzelfde feit)
- art. 313 Sv (wijziging van de tenlastelegging mag niet leiden tot vervolging voor een ander feit)
- art. 10a Opiumwet (voorbereidingshandelingen met betrekking tot handel in verdovende middelen)
- art. 420bis Sr (witwassen van crimineel geld)
Toepassing
- art. 68 Sr (niemand kan opnieuw worden vervolgd voor hetzelfde feit) Het Hof heeft geoordeeld dat de aanvankelijke tenlastelegging en de wijziging betrekking hebben op hetzelfde materiële feitencomplex, namelijk de betrokkenheid bij drugshandel en de daarmee verbandhoudende financiële afwikkeling. Echter, de Hoge Raad oordeelt dat zowel het verschil in de juridische aard van de feiten als in de omschreven gedragingen te groot is om te spreken van hetzelfde feit. De tenlastelegging betreft voorbereidingshandelingen voor drugshandel, terwijl de wijziging witwassen betreft.
- art. 313 Sv (wijziging van de tenlastelegging mag niet leiden tot vervolging voor een ander feit) De Hoge Raad stelt dat de juridische aard van de feiten en de omschreven gedragingen in de aanvankelijke tenlastelegging en de wijziging daarvan te verschillend zijn. De tenlastelegging was gericht op de voorbereidingshandelingen voor drugshandel en de wijziging op witwassen, wat volgens de Hoge Raad niet als hetzelfde feit kan worden aangemerkt.
- art. 10a Opiumwet (voorbereidingshandelingen met betrekking tot handel in verdovende middelen) De aanvankelijke tenlastelegging was gericht op het voorhanden hebben van materialen en stoffen voor het bereiden van drugs. Dit valt onder art. 10a Opiumwet en heeft betrekking op de bescherming van de volksgezondheid tegen de gevaren van drugshandel.
- art. 420bis Sr (witwassen van crimineel geld) De gevorderde wijziging richtte zich op het witwassen van een geldbedrag, wat onder art. 420bis Sr valt. Dit heeft betrekking op het tegen gaan van het verkrijgen van een legale status voor opbrengsten uit misdrijven. De Hoge Raad oordeelde dat dit een ander juridisch belang betreft dan de voorbereidingshandelingen voor drugs.
Conclusie
De Hoge Raad concludeert dat de vordering tot wijziging van de tenlastelegging ten onrechte is toegewezen, omdat de aanvankelijke tenlastelegging en de wijziging niet betrekking hebben op hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr. De zaak wordt terugverwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam voor hernieuwde berechting.
Partijen en standpunten
- Eiser: [Openbaar Ministerie]
- Gedaagde: [Verdachte, geboren in 1962, woonachtig te Amsterdam]
Het Openbaar Ministerie heeft een wijziging van de tenlastelegging gevorderd om een geldbedrag van €81.986,16 toe te voegen aan de beschuldiging van voorbereidingshandelingen voor drugshandel.
De verdediging betwist de toewijzing van de wijziging van de tenlastelegging door het Hof, omdat het niet hetzelfde feit betreft.
Wetsartikelen
Tijdlijn
- 29-09-2003 Op 29 september 2003 vond er een doorzoeking plaats in de woning van de verdachte aan de [a-straat 1] te Amsterdam. Hierbij werden geldbedragen van € 80.000 en £ 2.010, een sealapparaat inclusief stofkappen en verpakkingsmateriaal, een drukpers en 911 gram paracetamol/coffeïne en 70 gram manitol in beslag genomen.
- 17-10-2005 De officier van justitie diende een ontnemingsvordering in, strekkende tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. Dit voordeel werd geschat op EUR 133.385,15.
- 11-07-2008 Het Gerechtshof Amsterdam deed uitspraak in hoger beroep, waarbij de vordering tot wijziging van de tenlastelegging werd toegewezen. De oorspronkelijke tenlastelegging betrof voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet, terwijl de wijziging betrekking had op artikel 420bis Sr inzake witwassen.
- 01-02-2011 De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Gerechtshof Amsterdam vanwege de onjuiste toewijzing van de wijziging van de tenlastelegging. De zaak werd terugverwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam voor hernieuwde berechting in hoger beroep.