Verkrijging economische eigendom vereist vervulling voorwaarden, geen anticipatie bij onzekerheden.

Hoge Raad · 9 oktober 2009 · Cassatie · Bestuursrecht; Belastingrecht

Art. 2, lid 2, Wet BRV. Verkrijging van economische eigendom bij overeenkomst onder voorwaarde?

Rechtsvraag

Was er sprake van een economische levering van een onroerende zaak aan belanghebbende die belastbaar is met overdrachtsbelasting onder artikel 2, lid 2, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer?

Regel

  • art. 2 lid 1, Wet op belastingen van rechtsverkeer (bepaalt het heffingsobject voor overdrachtsbelasting)
  • art. 2 lid 2, Wet op belastingen van rechtsverkeer (bepaalt dat de verkrijging van economische eigendom belastbaar is met overdrachtsbelasting)

Toepassing

  • art. 2 lid 1, Wet op belastingen van rechtsverkeer (bepaalt het heffingsobject voor overdrachtsbelasting) De overeenkomst gaf recht op een onroerende zaak, maar omdat er onzekerheid was over de sloopvergunning, was het heffingsobject bij het aangaan van de overeenkomst nog niet bepaald. Het Hof oordeelde dat er geen sprake was van een bepaald heffingsobject ten tijde van het aangaan van de overeenkomst.
  • art. 2 lid 2, Wet op belastingen van rechtsverkeer (bepaalt dat de verkrijging van economische eigendom belastbaar is met overdrachtsbelasting) De Hoge Raad oordeelde dat de gedeeltelijke betaling van de koopprijs, de overgang van eigenaarslasten en de vergoeding voor huisvesting niet voldoende waren voor de verkrijging van economische eigendom. De afspraken over de sloopwerkzaamheden waren niet van essentiële betekenis omdat de economische eigendom pas zou overgaan na afgifte van een sloopvergunning, wat pas in 2004 gebeurde.

Conclusie

Het beroep in cassatie is ongegrond verklaard. Er was geen belastbare verkrijging van economische eigendom op 15 juli 2003, en de naheffingsaanslag kan niet in stand blijven.

Tijdlijn

  1. 15-06-2003 D verkoopt een onroerende zaak aan de maatschap, waar belanghebbende vennoot in is. De koopovereenkomst omvat verschillende bepalingen, inclusief de verkoopprijs, leveringsdatum en sloopvoorwaarden.
  2. 15-06-2003 Er is een aparte overeenkomst gesloten over de sloopwerkzaamheden, waarbij de kosten van het slopen door de koper aan de verkoper worden vergoed, en de risico's van de sloop bij de koper liggen.
  3. 28-01-2004 Een aanvraag voor de sloopvergunning wordt ingediend.
  4. 04-03-2004 De sloopvergunning voor de opstallen wordt verleend.
  5. 29-04-2004 De levering van het bouwterrein vindt plaats, waarbij de opstallen zijn gesloopt en er omzetbelasting over de koopprijs is gerekend. Er wordt een beroep gedaan op de vrijstelling van overdrachtsbelasting.
  6. 16-12-2004 De Inspecteur stuurt een toelichtende brief waarin staat dat een economische levering in de zin van overdrachtsbelasting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2003, en dat daarom een naheffingsaanslag over 2003 wordt opgelegd.
  7. [Datum onbekend] Belanghebbende maakt bezwaar tegen de opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting.
  8. [Datum onbekend] De Inspecteur handhaaft de naheffingsaanslag na bezwaar.
  9. 14-08-2007 De Rechtbank te Breda verklaart het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Inspecteur gegrond.
  10. [Datum onbekend] De Inspecteur stelt hoger beroep in tegen de uitspraak van de Rechtbank bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
  11. 17-07-2008 Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank dat het beroep van belanghebbende gegrond is.
  12. [Datum onbekend] De Staatssecretaris van Financiën stelt beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het Hof.