Redelijke termijn II (ECLI:NL:HR:2008:BD2578)

Overschrijding redelijke termijn leidt niet tot niet-ontvankelijkheid, maar tot strafvermindering of vaststelling van schending.

Hoge Raad Β· 17 juni 2008 Β· Cassatie Β· Strafrecht

Hoge Raad herijkt regels inzake overschrijding van de redelijke termijn. De HR acht het dienstig de uitgangspunten en regels over de inbreuk op het in art. 6.1 EVRM gewaarborgde recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn en het rechtsgevolg dat aan een vastgestelde inbreuk op dat recht dient te worden verbonden samen te vatten en aan te passen. De belangrijkste wijzigingen t.o.v. de arresten HR LJN AA7309 en HR LJN AA9372 zijn tussen *** weergegeven.

Rechtsvraag

Is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM overschreden in de cassatiefase van de strafzaak tegen de verdachte?

Regel

  • art. 6, eerste lid, EVRM (Recht op behandeling van strafzaak binnen een redelijke termijn)
  • art. 81 RO (Geen nadere motivering vereist als middelen niet tot beantwoording van rechtsvragen nopen)

Toepassing

  • art. 6, eerste lid, EVRM (Recht op behandeling van strafzaak binnen een redelijke termijn) De verdachte heeft op 10 juli 2006 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn echter pas op 22 juni 2007 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, wat betekent dat de redelijke termijn is overschreden. Gezien de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken en de mate van overschrijding, is de inbreuk voldoende gecompenseerd met de vaststelling dat er een verdragsschending heeft plaatsgevonden.
  • art. 81 RO (Geen nadere motivering vereist als middelen niet tot beantwoording van rechtsvragen nopen) De middelen in het cassatieberoep leiden niet tot beantwoording van rechtsvragen die belangrijk zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Daarom is geen verdere motivering nodig op basis van art. 81 RO.

Conclusie

De Hoge Raad concludeert dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden, maar dat de verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling daarvan. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Partijen en standpunten

  • Eiser: Openbaar Ministerie
  • Gedaagde: [verdachte]

Het OM heeft aangevoerd dat de verdachte schuldig is aan meermalen gepleegde gijzeling en heeft een voorwaardelijke gevangenisstraf geΓ«ist.

De verdachte heeft in cassatie aangevoerd dat zijn recht op behandeling binnen een redelijke termijn is geschonden.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 15-06-2005 De Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch veroordeelt de verdachte voor 'gijzeling, meermalen gepleegd' tot een straf.
  2. 28-06-2006 Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch vernietigt het vonnis van de Politierechter en veroordeelt de verdachte wederom voor 'gijzeling, meermalen gepleegd' tot twee weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
  3. 10-07-2006 De verdachte stelt beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
  4. 22-06-2007 De stukken van de zaak komen aan bij de griffie van de Hoge Raad.
  5. 17-06-2008 De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de verdachte. De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn is overschreden, maar acht de verdragsschending voldoende gecompenseerd met de constatering van de inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM.