Anonieme tip onvoldoende voor redelijk vermoeden wapens of munitie zonder aanvullende belastende informatie.
OM-cassatie. Anonieme melding vervat in ambtsbericht AIVD. 1. Vooropgesteld dient te worden dat een redelijk vermoeden van de aanwezigheid van wapens en munitie a.b.i. art. 49 van de WWM kan worden aangenomen o.b.v. een anonieme melding (vgl. HR LJN ZD1858). Deze anonieme melding was i.c. vervat in een ambtsbericht van de AIVD. Het Hof heeft de aan de AIVD anoniem verstrekte telefonische informatie uiteindelijk onvoldoende geacht voor een redelijk vermoeden dat op het adres X wapens of munitie aanwezig waren en daarbij doorslaggevend geacht dat die anoniem verstrekte informatie door de AIVD, de rechercheofficier in samenspraak met de afdeling terreur van de districtsrecherche en de afdeling zware criminaliteit van die recherche is getoetst en onderzocht - waartoe de tijdspanne tussen de anonieme melding en de daarin genoemde datum van de te plegen aanslag in dit geval ook de gelegenheid bood - zonder dat van enige aanvullende belastende informatie is gebleken. E.e.a. is onjuist noch onbegrijpelijk. Het kan, verweven als het is met aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval, in cassatie niet verder worden getoetst. 2. Opmerking verdient nog het volgende. Het Hof heeft geen blijk ervan gegeven te hebben onderzocht of de door hem aan de onrechtmatigheid van de doorzoeking verbonden bewijsuitsluiting in overeenstemming is met de maatstaven die door de HR zijn uiteengezet in zijn arrest van HR LJN AM2533, maar daarover klaagt het middel niet.
Rechtsvraag
Was er voldoende grond voor het 'redelijkerwijs kunnen vermoeden' dat in de woning van de verdachte wapens en munitie aanwezig waren, zoals vereist door art. 49 van de Wet wapens en munitie?
Regel
- art. 49, Wet wapens en munitie (WWM) (Regelt de doorzoeking van plaatsen op basis van een redelijk vermoeden van aanwezigheid van wapens en munitie)
- HR 25 september 2001, LJN ZD1858, NJ 2002, 97 (Anonieme meldingen kunnen een redelijk vermoeden van aanwezigheid van wapens en munitie rechtvaardigen)
- HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004, 376, rov. 3.5 en 3.6.4 (Regels over bewijsuitsluiting bij onrechtmatige doorzoeking)
Toepassing
- art. 49, Wet wapens en munitie (WWM) (Regelt de doorzoeking van plaatsen op basis van een redelijk vermoeden van aanwezigheid van wapens en munitie) De doorzoeking vond plaats op basis van een anonieme telefonische tip, die door de AIVD werd doorgegeven en vervolgens door de recherche-officier en de districtsrecherche werd onderzocht. Ondanks deze onderzoeken bleek er geen aanvullende belastende informatie over het adres of de bewoner. Het Hof oordeelde dat er onvoldoende grond was voor het 'redelijkerwijs kunnen vermoeden' dat er wapens en munitie aanwezig waren, waardoor de doorzoeking niet gerechtvaardigd was onder art. 49 WWM.
- HR 25 september 2001, LJN ZD1858, NJ 2002, 97 (Anonieme meldingen kunnen een redelijk vermoeden van aanwezigheid van wapens en munitie rechtvaardigen) Hoewel de Hoge Raad heeft bepaald dat anonieme meldingen een redelijk vermoeden kunnen rechtvaardigen, vond het Hof in deze zaak dat de anonieme melding, ondanks de toetsing door verschillende instanties, onvoldoende was om een redelijk vermoeden te ondersteunen. Dit kwam door het gebrek aan aanvullende belastende informatie over het adres of de bewoner.
- HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004, 376, rov. 3.5 en 3.6.4 (Regels over bewijsuitsluiting bij onrechtmatige doorzoeking) Het Hof heeft de onrechtmatigheid van de doorzoeking gevolgd met bewijsuitsluiting van wat tijdens de doorzoeking werd aangetroffen. Het Hof heeft echter niet expliciet onderzocht of deze bewijsuitsluiting in overeenstemming was met de door de Hoge Raad gestelde maatstaven. De Hoge Raad merkte op dat hier geen klacht over was ingediend.
Conclusie
De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt de beslissing van het Hof dat er onvoldoende grond was voor een redelijk vermoeden van de aanwezigheid van wapens en munitie in de woning van de verdachte, waardoor de doorzoeking niet gerechtvaardigd was onder art. 49 WWM.
Partijen en standpunten
- Eiser: Advocaat-Generaal bij het Hof
- Gedaagde: Verdachte, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats]
Het beroep klaagde over het oordeel van het Hof dat er onvoldoende grond was voor het 'redelijkerwijs kunnen vermoeden' dat in de woning van de verdachte wapens en munitie aanwezig waren.
De verdediging stelde dat de doorzoeking gebaseerd op een anonieme tip onrechtmatig was en dat er geen aanvullende belastende informatie beschikbaar was om een redelijk vermoeden te ondersteunen.
Wetsartikelen
Tijdlijn
- 03-12-2005 Een onbekend gebleven persoon belt de AIVD en meldt dat er explosieven, handgranaten en wapens aanwezig zouden zijn op het adres [a-straat 1] in [plaats A], bedoeld voor een aanslag op Hoog Catharijne voor 1 januari 2006. Het telefoontje is gepleegd vanuit een telefooncel in de Rooseveltlaan te Utrecht.
- 14-12-2005 De AIVD stuurt een ambtsbericht naar de Landelijk Officier van Justitie Terrorismebestrijding, waarin de inhoud van de anonieme tip wordt beschreven. Er wordt vermeld dat er bij de AIVD niets nadeligs bekend is over het adres [a-straat 1] en geen inschatting kan worden gegeven over de betrouwbaarheid van de tip.
- 22-12-2005 Het Landelijk Parket, afdeling terrorismebestrijding, zendt de informatie door naar het parket Utrecht. De rechercheofficier onderzoekt samen met de districtsrecherche, afdeling terreur, of er regionaal aanleiding is om op te treden uit een oogpunt van terreurdreiging. Dit blijkt niet het geval.
- 27-12-2005 Inspecteur van politie [verbalisant 1] ontvangt een ambtsbericht waarin onder meer staat dat verdachte geen antecedenten heeft op het gebied van de Wet wapens en munitie en geen betrokkenheid heeft met vuurwapens. Er wordt overleg gevoerd met de piketofficier Martens en de hoofdofficier over een doorzoeking en de inzet van een arrestatieteam, waarvoor toestemming wordt verleend.
- 28-12-2005 Op grond van art. 49 van de Wet wapens en munitie vindt een doorzoeking plaats op het adres [a-straat 1] te [plaats A]. Hierbij worden een pistool, een namaakpistool en een busje pepperspray aangetroffen en in beslag genomen. Drie personen worden aangehouden, waaronder verdachte.
- 02-02-2006 De Politierechter in de Rechtbank te Utrecht doet uitspraak in de strafzaak tegen verdachte. De verdachte wordt veroordeeld voor het hem ten laste gelegde.
- 14-08-2006 Het Hof vernietigt het vonnis van de Politierechter voor zover aan 's Hofs oordeel onderworpen. Verdachte wordt vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 2 en 3 ten laste gelegde (het voorhanden hebben van een namaakpistool en een traangasbusje). Voorts wordt onttrekking aan het verkeer bevolen van de aangetroffen wapens en munitie.
- 11-03-2008 De Hoge Raad verwerpt het beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat er onvoldoende grond was voor het 'redelijkerwijs kunnen vermoeden' dat in de woning van verdachte wapens en munitie aanwezig waren.