PontMeyer (ECLI:NL:HR:2007:AZ3178)

Vrijwaringsclausule in SPA omvat vennootschapsbelasting v贸贸r 1 april 1998.

Hoge Raad 路 19 januari 2007 路 Cassatie 路 Civiel recht

Ondernemingsrecht. Verhaal door moeder op voormalige dochter van door moeder in het kader van hun fiscale eenheid voldane aanslag VPB, vraag of aan deze regresmogelijkheid in de weg staat een vrijwaringsclausule in de koopovereenkomst waarbij alle aandelen in de dochter aan een derde zijn verkocht; uitleg van de overeenkomst, maatstaf; bewijslastverdeling; (aanvullend) tegenbewijs, aan bewijsaanbod te stellen eisen.

Rechtsvraag

De rechtsvraag is of PontMeyer op grond van de share purchase agreement (SPA) aansprakelijk is voor de vennootschapsbelasting over het boekjaar 1997/1998, of dat deze aansprakelijkheid bij Meyer Europe blijft.

Regel

  • Art. 8, aanhef en onder b, SPA (vrijwaring van vennootschapsbelasting en BTW inclusief rente en boetes, met uitzondering voor belastingvoorzieningen opgenomen in de Interim Accounts)
  • Art. 150 Rv (bewijslastverdeling, bepaalt welke partij de bewijslast draagt voor een bepaalde stelling)
  • Haviltex-maatstaf (uitleg van overeenkomsten, waarbij beslissend is welke zin partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten)

Toepassing

  • Art. 8, aanhef en onder b, SPA (vrijwaring van vennootschapsbelasting en BTW inclusief rente en boetes, met uitzondering voor belastingvoorzieningen opgenomen in de Interim Accounts) Het hof heeft de uitleg van PontMeyer gevolgd dat de uitzondering in art. 8 onder b van de SPA niet geldt voor de vennootschapsbelasting over de periode voorafgaand aan 1 april 1998. De woorden 'as of April 1, 1998' betekenen volgens het hof 'vanaf 1 april 1998' en niet 'per 1 april 1998'. Het hof baseert dit op het zinsverband en de tekstuele aanpassingen tijdens de onderhandelingen over de SPA (rov. 7.2 - 7.4).
  • Art. 150 Rv (bewijslastverdeling, bepaalt welke partij de bewijslast draagt voor een bepaalde stelling) Het hof oordeelde dat, hoewel PontMeyer zich beroept op een uitzondering in de vrijwaringsclausule, de bewijslastverdeling zodanig is dat Meyer Europe moet bewijzen dat de tekst van art. 8 onder b SPA niet weergeeft wat tussen partijen is overeengekomen. Het hof heeft dit gebaseerd op het feit dat Meyer Europe zich beroept op een afwijkende gemeenschappelijke partijbedoeling (rov. 8.1, 8.2).
  • Haviltex-maatstaf (uitleg van overeenkomsten, waarbij beslissend is welke zin partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten) Het hof heeft bij de uitleg van art. 8 onder b SPA de Haviltex-maatstaf toegepast door te kijken naar de taalkundige betekenis van de woorden in hun context, de aard van de transactie, de omvang en gedetailleerdheid van het contract, en de 'entire agreement clause' in art. 17.5 SPA. Het hof oordeelde dat de taalkundige betekenis 'vanaf 1 april 1998' het meest voor de hand lag (rov. 7.2 - 8.1).

Conclusie

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van Meyer Europe. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de uitzondering in art. 8 onder b van de SPA niet geldt voor de vennootschapsbelasting over de periode voorafgaand aan 1 april 1998. De bewijslastverdeling is correct toegepast en Meyer Europe is terecht belast met het bewijs van een afwijkende gemeenschappelijke partijbedoeling. De uitleg van de SPA door het hof is in overeenstemming met de Haviltex-maatstaf.

Partijen en standpunten

  • Eiser: Meyer Europe B.V.
  • Gedaagde: PontMeyer B.V.

Meyer Europe vordert betaling van de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 1997/1998 door PontMeyer, inclusief wettelijke rente, en een verklaring voor recht dat PontMeyer aansprakelijk is voor toekomstige vennootschapsbelastingaanslagen tot en met 31 maart 1998.

PontMeyer betwist de vordering en beroept zich op artikel 8 van de SPA, waarin is bepaald dat Meyer Europe verantwoordelijk blijft voor vennootschapsbelasting tot en met 30 september 1998.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 05-01-1999 Meyer Europe verkoopt alle aandelen van PontMeyer aan WPH bij schriftelijke overeenkomst tussen Meyer Europe, haar Engelse moedermaatschappij Meyer International Plc, en WPH (de 'share purchase agreement' of SPA).
  2. 02-02-1999 Meyer Europe levert alle aandelen van PontMeyer aan WPH.
  3. 25-03-1999 Meyer Europe dagvaardt PontMeyer voor de rechtbank te Haarlem en vordert betaling van de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting voor het boekjaar 1997/1998.
  4. 10-08-1999 De rechtbank te Haarlem verwijst de zaak naar de rechtbank te Rotterdam na een incidentele conclusie houdende onbevoegdheid en verwijzing van PontMeyer.
  5. 22-02-2001 De rechtbank te Rotterdam laat Meyer Europe toe tot bewijslevering door middel van getuigen.
  6. 06-08-2003 De rechtbank te Rotterdam wijst de vordering van Meyer Europe af na enqu锚te en contra-enqu锚te.
  7. 31-05-2005 Het gerechtshof te 's-Gravenhage bekrachtigt de vonnissen van 22 februari 2001 en 6 augustus 2003.
  8. 24-10-2006 De advocaat van PontMeyer reageert bij brief op de conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman.
  9. 19-01-2007 De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van Meyer Europe en veroordeelt haar in de kosten van het geding in cassatie.