Onderzoeksplicht derde bij tegenstrijdig belang bestuurder vennootschap vereist expliciet aandeelhoudersbesluit.
Ondernemingsrecht. Geschil tussen de curator in het faillissement van een holdingvennootschap en dochtervennootschappen en een bank omtrent de rechtsgeldigheid van kredietovereenkomsten die de bank met deze vennootschappen met tussenkomst van de holding had gesloten terwijl de dochtervennootschappen een tegenstrijdig belang met de holding hadden en de AvA geen besluit had genomen tot aanwijzing van een bijzondere vertegenwoordiger als bedoeld in art. 2:256 BW; derdenbescherming, strekking art. 2:256 BW, onderzoeksplicht derde naar mogelijk onbevoegde vertegenwoordiging wegens tegenstrijdig belang door (bestuurder van) de vennootschap met wie derde transactie aangaat; invloed van parallelle belangen van een besturende vennootschap/enig aandeelhouder en een bestuurde vennootschap; schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid, toepasselijkheid van art. 3:61 lid 2 BW.
Rechtsvraag
Kan de ABN AMRO Bank zich beroepen op de vertegenwoordigingsbevoegdheid van BHV Holding B.V. bij het aangaan van kredietovereenkomsten met Bouwhout B.V. en Olie B.V., ondanks het tegenstrijdige belang van BHV Holding B.V. en het ontbreken van een uitdrukkelijk besluit van de aandeelhoudersvergadering van Bouwhout B.V. en Olie B.V. als bedoeld in art. 2:256 BW?
Regel
- art. 2:256 BW (Vertegenwoordiging bij tegenstrijdig belang)
- art. 3:61 lid 2 BW (Schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid)
- art. 3:12 BW (Redelijkheid en billijkheid)
Toepassing
- art. 2:256 BW (Vertegenwoordiging bij tegenstrijdig belang) De Hoge Raad overweegt dat bij het bestaan van een tegenstrijdig belang een uitdrukkelijk besluit van de aandeelhoudersvergadering nodig is om een bijzondere vertegenwoordiger aan te wijzen. In deze zaak was geen dergelijk besluit genomen door de aandeelhoudersvergadering van Bouwhout B.V. en Olie B.V., zodat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van BHV Holding B.V. ontbreekt. Het hof heeft vastgesteld dat er een tegenstrijdig belang was en dat de Bank niet heeft voldaan aan haar onderzoeksplicht om na te gaan of de juiste vertegenwoordigingsbevoegdheid aanwezig was. (Rechtsoverwegingen 3.2.1, 3.3.1, 3.3.2, 3.3.4)
- art. 3:61 lid 2 BW (Schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid) De Hoge Raad oordeelt dat de Bank zich niet kan beroepen op de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van BHV Holding B.V. omdat er geen uitdrukkelijk besluit van de aandeelhoudersvergadering was dat de bevoegdheid van BHV Holding B.V. bevestigde. De Bank had moeten onderzoeken of er een dergelijk besluit was genomen, gezien het tegenstrijdige belang. (Rechtsoverwegingen 3.2.2, 3.3.1, 3.3.3, 3.3.4)
- art. 3:12 BW (Redelijkheid en billijkheid) De Hoge Raad verwerpt het beroep van de Bank op redelijkheid en billijkheid. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de Bank onvoldoende heeft onderbouwd waarom toepassing van art. 2:256 BW onaanvaardbaar zou zijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. De Bank heeft niet voldaan aan haar onderzoeksplicht, waardoor zij zich niet kan beroepen op de redelijkheid en billijkheid. (Rechtsoverwegingen 3.2.2, 3.3.5)
Conclusie
De Hoge Raad verwerpt het beroep van ABN AMRO Bank. De Bank heeft niet voldaan aan haar onderzoeksplicht inzake de vertegenwoordigingsbevoegdheid van BHV Holding B.V. bij het aangaan van de kredietovereenkomsten met Bouwhout B.V. en Olie B.V., gezien het tegenstrijdige belang en het ontbreken van een uitdrukkelijk besluit van de aandeelhoudersvergadering zoals vereist door art. 2:256 BW. De Bank kan zich daarom niet beroepen op de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid of op redelijkheid en billijkheid.
Partijen en standpunten
- Eiser: ABN AMRO BANK N.V.
- Gedaagde: Mr. Jan Bene DIJKEMA, in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van BHV Holding B.V., BHV Duhout B.V., BHV Bouwhout B.V. en BHV Olie B.V.
De curator vordert betaling van de creditsaldi van Bouwhout B.V. en Olie B.V. van de Bank, stellende dat de Bank niet gerechtigd is tot verrekening met schulden van Holding B.V. en Duhout B.V. vanwege tegenstrijdig belang en onbevoegde vertegenwoordiging bij de kredietovereenkomsten.
De Bank betoogt dat zij mocht vertrouwen op de vertegenwoordigingsbevoegdheid van Holding B.V. op grond van art. 3:61 lid 2 BW en redelijkheid en billijkheid, ondanks het ontbreken van een aandeelhoudersbesluit zoals vereist door art. 2:256 BW.
Wetsartikelen
Tijdlijn
- 20-12-2000 Aan de vier vennootschappen BHV Holding B.V., BHV Bouwhout B.V., BHV Olie B.V., en BHV Duhout B.V. wordt voorlopige surséance van betaling verleend.
- 08-01-2001 De voorlopige surséance van betaling wordt opgeheven en de vier vennootschappen worden failliet verklaard. Mr. Jan Bene Dijkema wordt benoemd tot curator.
- 19-12-2000 Op de vooravond van de voorlopige surséance vertonen de rekeningen van BHV Holding B.V. en BHV Duhout B.V. een debetsaldo, terwijl die van BHV Bouwhout B.V. en BHV Olie B.V. een creditsaldo vertonen.
- 01-08-2001 De wettelijke rente begint te lopen over de vorderingen van de curator op de Bank vanaf deze datum.
- 07-09-2001 De curator dagvaardt ABN AMRO Bank N.V. voor de rechtbank te Leeuwarden en vordert betaling van ƒ 17.305,35 en ƒ 653.380,49 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01-08-2001.
- 14-05-2003 De rechtbank veroordeelt de Bank om aan de curator in het faillissement van BHV Olie B.V. te betalen € 296.491,13 (ƒ 653.380,49) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01-08-2001. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
- 03-09-2003 De rechtbank verbetert het vonnis van 14-05-2003.
- 06-10-2004 Het gerechtshof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank in het principaal appel en verklaart de curator niet-ontvankelijk in het incidenteel appel.
- 28-03-2006 De advocaat van de Bank reageert bij brief op de conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman, die strekt tot verwerping van het beroep.
- 14-07-2006 De Hoge Raad verwerpt het beroep van ABN AMRO Bank N.V. en veroordeelt de Bank in de kosten van het geding in cassatie, begroot op € 1.171,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.