Huwelijkse voorwaarden bindend, tenzij redelijkheid en billijkheid afwijking vereisen.
18 juni 2004 Eerste Kamer Nr. C03/021HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [De vrouw], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, incidenteel verweerster, advocaat: aanvankelijk mr. C.M. Bergman, thans mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai, t e g e n [De man], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, incidenteel eiser, advocaat: mr. P.S. Kamminga. 1. Het geding in feitelijke instanties...
Rechtsvraag
Kan de gemeenschappelijke bedoeling van partijen om hun vermogensrechtelijke verhouding ongewijzigd te laten, alsof zij in gemeenschap van goederen gehuwd waren, afdoen aan de formeel vastgelegde huwelijkse voorwaarden?
Regel
- Art. 1:114 BW (Huwelijkse voorwaarden moeten bij notariële akte worden aangegaan)
- Art. 1:115 BW (Nietigheid van huwelijkse voorwaarden zonder notariële akte)
- Rechtsbeginsel van redelijkheid en billijkheid (Een overeenkomst kan niet worden toegepast als dit onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid)
Toepassing
- Art. 1:114 BW (Huwelijkse voorwaarden moeten bij notariële akte worden aangegaan) Het hof heeft vastgesteld dat de gemeenschappelijke bedoeling van partijen hun vermogensrechtelijke verhouding ongewijzigd te laten, niet kan afdoen aan de formeel vastgelegde huwelijkse voorwaarden, omdat een stilzwijgend gesloten overeenkomst ook moet worden aangemerkt als huwelijkse voorwaarde en dus bij notariële akte moet worden aangegaan.
- Art. 1:115 BW (Nietigheid van huwelijkse voorwaarden zonder notariële akte) De Hoge Raad bevestigt dat de gemeenschappelijke partijbedoeling niet kan gelden als huwelijkse voorwaarde zonder notariële akte, en dat conversie naar een enkele regeling tussen partijen niet mogelijk is.
- Rechtsbeginsel van redelijkheid en billijkheid (Een overeenkomst kan niet worden toegepast als dit onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid) Het hof heeft miskend dat de toepassing van de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn, vooral gezien het onderling overeenstemmend gedrag tijdens het huwelijk dat afweek van de huwelijkse voorwaarden.
Conclusie
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof omdat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de redelijkheid en billijkheid niet kunnen afdoen aan de tussen partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden. Het geding wordt verwezen naar het gerechtshof te Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing.
Partijen en standpunten
- Eiser: [De vrouw]
- Gedaagde: [De man]
De vrouw vorderde betaling van ƒ 24.963,-- met samengestelde rente en wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding.
De man vorderde betaling van bedragen uit hoofde van een lening, onderbedeling, en opbrengsten van gezamenlijke vermogensbestanddelen.
Wetsartikelen
Tijdlijn
- 28-11-1963 De man en de vrouw zijn gehuwd zonder het maken van huwelijkse voorwaarden.
- 06-08-1976 Partijen maken huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap van goederen, met een Amsterdams verrekenbeding.
- 13-09-1996 De samenwoning tussen de man en de vrouw is feitelijk verbroken.
- 16-05-1997 De echtscheiding tussen de man en de vrouw is uitgesproken.
- 01-08-1997 De vrouw dagvaardt de man voor de rechtbank te 's-Gravenhage met een vordering van ƒ 24.963,--.
- 05-08-1997 De man dagvaardt de vrouw voor dezelfde rechtbank met diverse vorderingen, waaronder ƒ 66.978,72.
- 25-11-1997 De rechtbank beveelt voeging van beide zaken en verwijst naar de rol voor voortprocederen.
- 17-03-1998 De rechtbank gelast een comparitie van partijen in beide zaken.
- 29-09-1999 De rechtbank verdeelt de boedel en veroordeelt de vrouw tot betaling van ƒ 113.008,93 aan de man.
- 2000 De vrouw stelt hoger beroep in tegen de vonnissen van 1999 bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
- 25-09-2002 Het hof vernietigt de vonnissen van de rechtbank en veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man.
- 2003 De vrouw stelt cassatieberoep in bij de Hoge Raad, de man stelt incidenteel cassatieberoep in.