Bij niet nageleefde verrekenbedingen ontstaat een finale verrekenplicht bij het einde van het huwelijk.
-
Rechtsvraag
Moet bij de be毛indiging van het huwelijk alsnog een verrekening plaatsvinden van de onverteerde inkomsten en beleggingen zoals vastgelegd in art. 3 van de huwelijkse voorwaarden, en is de vordering tot verrekening verjaard?
Regel
- Art. 3:307 BW (Verjaringstermijn voor vorderingen tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst)
- Art. 1:130 BW (Bewijs van aanbreng van buiten de gemeenschap gehouden goederen)
- Rechtspraak: HR 3 oktober 1997, NJ 1998, 383 (Verrekening van vermogensvermeerdering door belegging uit bespaarde inkomsten)
- Rechtspraak: HR 2 maart 2001, NJ 2001, 583 (Verrekening bij niet-nageleefde Amsterdamse verrekenbedingen)
Toepassing
- Art. 3:307 BW (Verjaringstermijn voor vorderingen tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst) Het Hof oordeelde dat de verjaringstermijn pas begint te lopen bij het einde van het huwelijk, omdat de verrekening als gevolg van de niet-naleving van het periodieke verrekenbeding moet worden omgezet in een finale verrekenplicht bij het einde van het huwelijk. Dit oordeel van het Hof werd door de Hoge Raad bevestigd (rov. 3.7).
- Art. 1:130 BW (Bewijs van aanbreng van buiten de gemeenschap gehouden goederen) Het Hof concludeerde dat de woning tijdens het huwelijk aan de man is geleverd en niet als door de man ten huwelijk aangebracht op de lijst van aanbrengsten is vermeld. De Hoge Raad bevestigde deze interpretatie, aangezien de woning pas tijdens het huwelijk is geleverd en niet eerder was aangemerkt als priv茅-vermogen (rov. 3.4).
- Rechtspraak: HR 3 oktober 1997, NJ 1998, 383 (Verrekening van vermogensvermeerdering door belegging uit bespaarde inkomsten) Het Hof oordeelde dat de woning geen buiten de verdeling blijvend goed was omdat het geen onderdeel vormde van priv茅-vermogen en niet was verkregen door belegging van priv茅-gelden. De Hoge Raad vond dat het Hof niet had miskend dat de opsomming in het eerdere arrest niet limitatief was (rov. 3.5).
- Rechtspraak: HR 2 maart 2001, NJ 2001, 583 (Verrekening bij niet-nageleefde Amsterdamse verrekenbedingen) De Hoge Raad oordeelde dat de aflossingen aan de woning moeten worden toegerekend, aangezien het een verwerving tijdens het huwelijk betreft. Het Hof had een onjuist uitgangspunt gehanteerd, en na verwijzing moet worden bepaald voor welk gedeelte de woning in de verrekening dient te worden betrokken (rov. 3.5, onderdeel D).
Conclusie
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch en verwees de zaak naar een ander hof voor verdere behandeling. De vordering tot verrekening is niet verjaard en moet worden behandeld op basis van de finale verrekenplicht bij het einde van het huwelijk. De kosten van het geding in cassatie werden gecompenseerd.
Partijen en standpunten
- Eiser: [De man]
- Gedaagde: [De vrouw]
De man betwist de vordering van de vrouw voor verrekening van de huwelijkse voorwaarden en stelt dat de woning, gekocht v贸贸r het huwelijk, buiten de verdeling moet blijven.
De vrouw vordert een verrekening op basis van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden, waarbij de helft van de netto-waarde van de woning moet worden verdeeld.
Wetsartikelen
Tijdlijn
- 11-12-1972 De man en de vrouw gaan huwelijkse voorwaarden aan bij notari毛le akte, waarin geen gemeenschap van goederen is opgenomen en een jaarlijkse verrekening van onverteerde inkomsten is bepaald.
- 14-12-1972 De man en de vrouw treden in het huwelijk.
- 12-02-1973 De man krijgt de woning aan [a-straat 1] te [woonplaats] geleverd als echtelijke woning, gefinancierd door een hypothecaire lening.
- 03-12-1993 De man start een echtscheidingsprocedure bij de Rechtbank te Maastricht.
- 26-05-1994 De Rechtbank Maastricht spreekt de echtscheiding tussen de man en de vrouw uit.
- 31-08-1994 De beschikking van echtscheiding wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
- 18-02-1997 De vrouw dagvaardt de man voor de Rechtbank te Maastricht, vorderend tot verdeling van hun gezamenlijke bezittingen volgens de huwelijkse voorwaarden.
- 12-11-1998 De Rechtbank Maastricht stelt het door de man aan de vrouw verschuldigde bedrag vast op 茠 20.985,-- en veroordeelt de man dit te betalen.
- 14-12-2000 Het Gerechtshof vernietigt het vonnis van de Rechtbank Maastricht en veroordeelt de man tot betaling van 茠 133.846,12 aan de vrouw, met wettelijke rente.
- 06-12-2002 De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem voor verdere behandeling.