Een overeenkomst tot werk tegen betaling is geen arbeidsovereenkomst indien geen gezagsverhouding en gebruikelijke loonbetalingen bestaan.
Overeenkomstenrecht. Is de tussen partijen gesloten overeenkomst tot het verrichten van werk tegen betaling een arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 7A:1637a (oud) BW? Is sprake van een verboden aanvulling van feitelijke stellingen (art. 176 (oud) Rv en art. 48 (oud) Rv)?
Rechtsvraag
Is de tussen partijen gesloten overeenkomst tot het verrichten van werk tegen betaling een arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 7A:1637a (oud) BW? En is er sprake van een verboden aanvulling van feitelijke stellingen (art. 176 (oud) Rv en art. 48 (oud) Rv)?
Regel
- art. 7A:1637a (oud) BW (Definitie van een arbeidsovereenkomst)
- art. 176 (oud) Rv (Verbod op aanvulling van feitelijke stellingen door de rechter)
- art. 48 (oud) Rv (Bevoegdheid van de rechter om de rechtsgronden aan te vullen)
Toepassing
- art. 7A:1637a (oud) BW (Definitie van een arbeidsovereenkomst) De rechtbank heeft beoordeeld of tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestond door te kijken naar de feitelijke uitvoering van de overeenkomst, de intenties van de partijen, en de kenmerkende elementen van een arbeidsovereenkomst zoals loonbetaling en gezagsverhouding (rov. 3.4). De rechtbank concludeerde dat er geen arbeidsovereenkomst bestond, omdat de betalingen aan een commanditaire vennootschap werden gedaan, er geen inhoudingen voor sociale premies werden verricht, en er geen secundaire arbeidsvoorwaarden werden toegepast. Bovendien was de overeenkomst op initiatief van de eiser in deze vorm gesloten (rov. 3.1).
- art. 176 (oud) Rv (Verbod op aanvulling van feitelijke stellingen door de rechter) De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank niet buiten haar bevoegdheden is getreden en geen verboden aanvulling van feiten heeft gedaan. De rechtbank heeft slechts betekenis gehecht aan stukken en onbetwiste omstandigheden die door partijen zelf zijn ingebracht (rov. 3.6).
- art. 48 (oud) Rv (Bevoegdheid van de rechter om de rechtsgronden aan te vullen) De Hoge Raad bevestigde dat de rechtbank binnen haar bevoegdheden handelde door de feiten en omstandigheden te beoordelen zoals gepresenteerd door de partijen en daaruit de juiste juridische gevolgtrekkingen te maken (rov. 3.6).
Conclusie
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat er geen arbeidsovereenkomst bestond tussen eiser en Schoevers en dat de rechtbank correct heeft gehandeld door de feiten te interpreteren en de rechtsgronden aan te vullen. Het cassatieberoep van eiser werd verworpen en hij werd veroordeeld in de kosten van het geding.
Partijen en standpunten
- Eiser: [eiser], wonende te [woonplaats]
- Gedaagde: INSTITUUT SCHOEVERS B.V., handelend onder de naam Schoevers Opleidingen, gevestigd te ’s-Gravenhage, tevens kantoorhoudende te Groningen
Eiser vordert dat het door Schoevers verleende ontslag onrechtmatig of kennelijk onredelijk is en eist schadevergoeding en betaling van openstaande declaraties.
Schoevers betwist de vorderingen en stelt dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar van een overeenkomst tussen Schoevers en de vennootschap van eiser.
Wetsartikelen
Tijdlijn
- 01-03-1991 [Eiser] begint onderwijswerkzaamheden bij en voor Schoevers op basis van een mondelinge overeenkomst.
- 01-03-1991 Schoevers betaalt voor de werkzaamheden van [eiser] aan [A] C.V. (de commanditaire vennootschap van [eiser]), via facturen met BTW.
- 01-03-1991 Schoevers doet geen inhoudingen voor premies AOW, loonbelasting en premies sociale verzekeringen op de betalingen aan [A] C.V.
- 01-03-1991 De arbeidsvoorwaardenregeling van Schoevers wordt niet toegepast op [eiser], inclusief geen eindejaarsuitkering, ziektekostenverzekering, pensioenregeling of betaling bij ziekte.
- 26-08-1993 Schoevers kondigt per brief de beëindiging van de overeenkomst met [eiser] aan per 01-11-1993.
- 13-10-1993 [Eiser] dagvaardt Schoevers voor de Kantonrechter te Groningen, met vorderingen inzake onrechtmatig ontslag en schadevergoeding.
- 20-04-1995 De Kantonrechter te Groningen wijst de vorderingen van [eiser] af en oordeelt dat er geen arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Schoevers is.
- 24-05-1996 De Rechtbank te Groningen bekrachtigt het vonnis van de Kantonrechter en oordeelt eveneens dat er geen arbeidsovereenkomst is.
- 14-11-1997 De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van [eiser] en veroordeelt hem in de kosten van het geding in cassatie.