Bij medehuur moet opzegging aan beide echtgenoten afzonderlijk, ook bij faillissement.
Beëindiging huur woonruimte. Medehuurderschap echtgenote van gefailleerde huurder. Afzonderlijke opzegging nodig.
Rechtsvraag
Moet de opzegging van de huurovereenkomst door de verhuurder in geval van faillissement van een van de echtgenoten ook aan de medehuurder worden gericht, ondanks het feit dat het recht op medehuurderschap tot de failliete boedel behoort?
Regel
- art. 7A:1623b lid 3 BW (opzegging moet aan beide echtgenoten afzonderlijk worden gedaan bij medehuur)
- art. 7A:1623g BW (medehuurderschap van echtgenoten)
- art. 39 F. (beëindiging huurovereenkomst in faillissement)
- art. 63 F. (faillissement van een echtgenoot als faillissement van de gemeenschap)
- art. 68 F. (beheer van failliete boedel door curator)
Toepassing
- art. 7A:1623b lid 3 BW (opzegging moet aan beide echtgenoten afzonderlijk worden gedaan bij medehuur) De Hoge Raad oordeelt dat, ook in geval van faillissement, de opzegging van de huurovereenkomst zowel aan de gefailleerde huurder als aan de medehuurder moet worden gedaan. Dit is noodzakelijk om de persoonlijke bescherming van de medehuurder te waarborgen, zoals beoogd door de wet. Dit betekent dat de opzegging niet alleen aan de curator kan worden gericht, ook al valt het recht op medehuurderschap in de failliete boedel. Hiermee wordt het persoonlijk recht van de medehuurder beschermd. (Rechtsoverweging 3.3.4)
- art. 39 F. (beëindiging huurovereenkomst in faillissement) Hoewel art. 39 F. de verhuurder de bevoegdheid geeft om de huurovereenkomst met de gefailleerde huurder te beëindigen, betekent dit niet automatisch dat het medehuurrecht van de echtgenoot ook eindigt. De Hoge Raad stelt dat de opzegging ook aan de medehuurder moet worden gericht, om diens rechten te beschermen. (Rechtsoverweging 3.3.1 - 3.3.5)
- art. 63 F. (faillissement van een echtgenoot als faillissement van de gemeenschap) De Hoge Raad verwerpt het argument dat het faillissement van een echtgenoot als faillissement van de gemeenschap betekent dat de curator het recht op medehuurderschap beheert en dat opzegging aan de curator voldoende zou zijn. De persoonlijke rechten van de medehuurder vereisen een afzonderlijke opzegging. (Rechtsoverweging 3.3.3 - 3.3.4)
- art. 68 F. (beheer van failliete boedel door curator) Hoewel art. 68 F. bepaalt dat de curator het beheer over de failliete boedel voert, stelt de Hoge Raad dat dit niet betekent dat opzegging van de huurovereenkomst enkel aan de curator kan worden gericht. Het medehuurrecht is een persoonlijk recht dat bescherming verdient, onafhankelijk van de boedelstatus. (Rechtsoverweging 3.3.4)
Conclusie
De Hoge Raad concludeert dat de opzegging van de huurovereenkomst in geval van faillissement van een van de echtgenoten ook aan de medehuurder moet worden gericht. Dit is noodzakelijk om de persoonlijke rechten van de medehuurder te beschermen. Het beroep van de verhuurder wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Partijen en standpunten
- Eiser: [de verhuurder]
- Gedaagde: [de huurder]
[De verhuurder] vorderde ontruiming van de woning wegens beëindiging van de huurovereenkomst na faillissement van [de huurder].
[De huurder] stelde dat zijn echtgenote medehuurder was en dat de opzegging ook aan haar had moeten worden gedaan.
Tijdlijn
- 01-08-1993 [de verhuurder] verhuurt een woning aan [de huurder], waar [de huurder] met zijn echtgenote en drie kinderen gaat wonen.
- 09-1993 [de huurder] stopt met het exploiteren van een winkel vanwege grote verliezen.
- 02-03-1994 [de huurder] wordt failliet verklaard.
- 23-03-1994 De advocaat van [de verhuurder] dient een vordering in bij de curator in het faillissement van [de huurder] voor achterstallige huur en zegt de huur op tegen 1 mei 1994.
- 25-04-1994 De opvolgende advocaat van [de verhuurder] vraagt de curator of deze instemt met de beëindiging van de huur per 1 mei 1994.
- 28-04-1994 De curator meldt dat [de huurder] juridische bijstand heeft en dat er voor de boedel geen belang in het geschil ligt. Hij vraagt contact op te nemen met de advocaat van [de huurder].
- 02-05-1994 De advocaat van [de verhuurder] laat de advocaat van [de huurder] weten dat de huurovereenkomst is geëindigd per 1 mei 1994 en sommeert vrijwillige ontruiming. [de huurder] beroept zich op huurbescherming.
- 26-05-1994 [de verhuurder] dagvaardt [de huurder] voor de Kantonrechter te Amersfoort om tot ontruiming van de woning te komen.
- 27-07-1994 De Kantonrechter wijst de ontruimingsvordering van [de verhuurder] toe.
- 08-09-1994 Het vonnis van de Kantonrechter wordt bij voorraad ten uitvoer gelegd.
- 18-10-1995 De Rechtbank Utrecht vernietigt het vonnis van de Kantonrechter en wijst de vordering tot ontruiming af.
- Onbekend [de verhuurder] stelt beroep in cassatie in tegen het vonnis van de Rechtbank.