Kantharos van Stevensweert (ECLI:NL:HR:1959:217)

Dwaling omtrent verborgen waarde leidt niet tot vernietiging koopovereenkomst tenzij kenbaar voor wederpartij.

Hoge Raad ยท 19 juni 1959 ยท Cassatie ยท Civiel recht

Dwaling. Door de verkoper niet vermoede eigenschap van de verkochte zaak.

Rechtsvraag

Kan de overeenkomst tussen [eiseres] en [eiser] en [verweerder] betreffende de verkoop van een zilveren beker vernietigd worden op grond van dwaling omtrent de zelfstandigheid van de zaak of bedrog?

Regel

  • Art. 1358 lid 1, Burgerlijk Wetboek (BW) (dwaling omtrent de zelfstandigheid der zaak)
  • Art. 1374, Burgerlijk Wetboek (BW) (nadelige gevolgen van dwaling en goede trouw)
  • Art. 1485-1493, Burgerlijk Wetboek (BW) (verborgen gebreken en verborgen voordelen)

Toepassing

  • Art. 1358 lid 1, Burgerlijk Wetboek (BW) (dwaling omtrent de zelfstandigheid der zaak) Het Hof overweegt dat de zelfstandigheid der zaak wordt bepaald door wat partijen zich redelijkerwijs konden voorstellen bij het sluiten van de overeenkomst. De uitzonderlijke waarde van de beker was voor beide partijen verborgen en lag buiten hun voorstellingsvermogen. Hierdoor kan deze eigenschap niet tot de zelfstandigheid van de zaak worden gerekend. (Rechtsoverweging 5-6, 9)
  • Art. 1374, Burgerlijk Wetboek (BW) (nadelige gevolgen van dwaling en goede trouw) Het Hof stelt dat de dwaling niet kenbaar was voor [verweerder] en dat hij geen verplichting had om [eiseres] en [eiser] in te lichten over de waarde van de beker, omdat hij zelf ook niet op de hoogte was van deze waarde. De dwaling was dus niet kenbaar en kan niet aan [verweerder] worden toegerekend. (Rechtsoverweging 10-13)
  • Art. 1485-1493, Burgerlijk Wetboek (BW) (verborgen gebreken en verborgen voordelen) Het Hof oordeelt dat de ontdekking van de uitzonderlijke waarde van de beker een verborgen voordeel betreft, waarvoor geen speciale wettelijke regeling is getroffen. De verkoper moet dergelijke mogelijkheden voor zijn risico nemen. Er is geen sprake van bedrog of onrechtmatig handelen van [verweerder]. (Rechtsoverweging 15)

Conclusie

De Hoge Raad verwerpt het beroep van [eiseres] en [eiser] en bevestigt het arrest van het Gerechtshof. De overeenkomst kan niet worden vernietigd op grond van dwaling of bedrog. [eiseres] en [eiser] worden veroordeeld in de kosten van het beroep.

Partijen en standpunten

  • Eiser: [eiseres], echtgenote van en in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [eiser], en [eiser]
  • Gedaagde: [verweerder]

Eisers vorderen vernietiging van een koopovereenkomst uit 1950 betreffende een zilveren beker wegens bedrog en dwaling. Zij stellen dat de gedaagde, als koper, de uitzonderlijke waarde van de beker kende en dit opzettelijk heeft verzwegen, waardoor de verkopers de beker voor een te lage prijs hebben verkocht.

Verweerder betwist de beschuldigingen en stelt dat ook hij niet op de hoogte was van de uitzonderlijke waarde van de beker ten tijde van de koop. Hij voert aan dat de dwaling niet kenbaar was en dat de verkopers zelf verantwoordelijk zijn voor het niet kennen van de werkelijke waarde.

Tijdlijn

  1. 02-1949 Tijdens baggerwerken in de uiterwaarden langs de rivier de Maas ter hoogte van Stevensweert wordt een zilveren beker ontdekt. Deze beker wordt verkocht aan kunstschilder L.H. Rulkens.
  2. 17-05-1949 L.H. Rulkens overlijdt en de zilveren beker wordt onderdeel van zijn nalatenschap. De beker wordt eigendom van [eiseres] en [eiser].
  3. 10-1949 [betrokkene 2], de broer van [eiseres], brengt de beker naar [betrokkene 1], Conservator van het Nederlands Goud en Zilvermuseum, om te laten onderzoeken of het van zilver is.
  4. 26-10-1949 [verweerder] ziet de beker bij [betrokkene 1] en toont interesse. Hij stuurt het gewicht van de beker in zilver aan [betrokkene 1] om na te gaan of de eigenaar de beker wil verkopen.
  5. 04-01-1950 [betrokkene 1] schrijft aan [betrokkene 2] dat de beker van zilver is maar weinig waarde heeft vanwege beschadigingen.
  6. 01-02-1950 [betrokkene 2] antwoordt dat de eigenaar de beker wil verkopen en stelt de prijs op f. 125,-.
  7. 03-02-1950 [betrokkene 1] schrijft opnieuw aan [betrokkene 2] en bevestigt interesse in aankoop voor het museum, afhankelijk van een billijke prijs.
  8. 09-02-1950 [verweerder] en [betrokkene 1] reizen naar [woonplaats] en sluiten de koopovereenkomst met [betrokkene 2] voor f. 125,-.
  9. 20-02-1950 [verweerder] wint het oordeel in van Prof. C.W. Vollgraff dat de beker van Grieks-Romeinse oorsprong is.
  10. 1951 [verweerder] publiceert een artikel over de uitzonderlijke waarde van de beker in de 'Mededelingen van de Koninklijke Academie van Wetenschappen'.
  11. 11-1954 [eiseres] en [eiser] starten een rechtszaak tegen [verweerder], bijna vijf jaar na de koop, wegens bedrog en dwaling.
  12. 04-01-1956 Rechtbank Utrecht wijst de subsidiaire vordering van [eiseres] en [eiser] toe op grond van dwaling.