Een vaststellingsovereenkomst kan niet worden vernietigd wegens dwaling over getwiste of onzekere zaken.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 10 november 2020 · Hoger beroep · Civiel recht; Personen- en familierecht

Vernietiging ter zitting bereikte overeenstemming / vaststellingsovereenkomst / art. 3:196 BW

Rechtsvraag

De kernvraag in deze zaak is of de overeenkomst die partijen op 22 januari 2018 hebben gesloten, moet worden gekwalificeerd als een vaststellingsovereenkomst, en of deze vernietigbaar is op grond van dwaling of in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

Regel

  • Art. 7:900 BW (Vaststellingsovereenkomst): Een vaststellingsovereenkomst is een overeenkomst ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of een geschil.
  • Art. 3:196 lid 1 BW (Vernietiging van verdeling): Een verdeling is vernietigbaar als een deelgenoot over de waarde van een of meer te verdelen goederen heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde deel is benadeeld.
  • Art. 1:135 lid 2 BW (Toepasselijkheid op huwelijkse voorwaarden): Art. 3:196 BW is van overeenkomstige toepassing op de vermogensrechtelijke afwikkeling van huwelijkse voorwaarden.

Toepassing

  • Art. 7:900 BW (Vaststellingsovereenkomst): Een vaststellingsovereenkomst is een overeenkomst ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of een geschil. Het hof oordeelt dat de overeenkomst van 22 januari 2018 moet worden aangemerkt als een vaststellingsovereenkomst. Partijen hebben deze gesloten ter beëindiging van hun geschillen over de vermogensrechtelijke gevolgen van hun echtscheiding. De man had erkend dat de overeenkomst was bedoeld om geschillen te beëindigen. De overeenkomst bevatte bepalingen over de verdeling van de woning en het bedrijfspand, en een clausule van finale kwijting, wat typisch is voor een vaststellingsovereenkomst. De man had geen voorbehoud gemaakt over de taxaties en er was geen sprake van een misverstand over de aard van de overeenkomst. (Rechtsoverwegingen 3.7.4.1 - 3.7.4.5)
  • Art. 3:196 lid 1 BW (Vernietiging van verdeling): Een verdeling is vernietigbaar als een deelgenoot over de waarde van een of meer te verdelen goederen heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde deel is benadeeld. Het hof stelt dat een beroep op dwaling in het kader van een vaststellingsovereenkomst niet mogelijk is voor geschilpunten waarover partijen onzekerheid hadden. De man had geen voorbehoud gemaakt over de taxaties en heeft niet aangetoond dat er sprake was van een misvatting bij de overeenkomst. De man heeft ook niet aangetoond dat hij voor meer dan een vierde deel benadeeld is. Het hof concludeert dat de man geen beroep op dwaling kan doen. (Rechtsoverwegingen 3.8.4.1 - 3.8.4.5)
  • Art. 1:135 lid 2 BW (Toepasselijkheid op huwelijkse voorwaarden): Art. 3:196 BW is van overeenkomstige toepassing op de vermogensrechtelijke afwikkeling van huwelijkse voorwaarden. Het hof past art. 3:196 BW toe op de vermogensrechtelijke afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, maar oordeelt dat de man niet heeft aangetoond dat hij heeft gedwaald over de waarde van de goederen of dat hij daardoor benadeeld is. Het beroep op deze regel faalt omdat de man niet voldoende heeft onderbouwd dat er een misvatting was bij de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. (Rechtsoverweging 3.8.4.2)

Conclusie

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en oordeelt dat de overeenkomst van 22 januari 2018 moet worden aangemerkt als een vaststellingsovereenkomst. De man kan geen beroep doen op dwaling of op de redelijkheid en billijkheid om de overeenkomst te vernietigen. De vorderingen van de man in hoger beroep worden afgewezen.

Partijen en standpunten

  • Eiser: [de man]
  • Gedaagde: [de vrouw]

De man vordert vernietiging van de vaststellingsovereenkomst op grond van dwaling en benadeling van meer dan een kwart, en vraagt om een nieuwe vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk.

De vrouw stelt dat er sprake is van een vaststellingsovereenkomst en dat de man niet kan aantonen dat hij gedwaald heeft of benadeeld is. Zij betwist de gronden voor vernietiging.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 17-06-2007 De man en de vrouw treden in het huwelijk na het maken van huwelijkse voorwaarden.
  2. 31-03-2016 De man dient een verzoek tot echtscheiding in bij de rechtbank Rotterdam.
  3. 01-08-2016 De rechtbank Rotterdam spreekt de echtscheiding tussen de man en de vrouw uit.
  4. 26-07-2017 De echtscheiding wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
  5. 23-08-2017 De man dagvaardt voor de door hem voorgestane vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk.
  6. 22-01-2018 Tijdens een comparitie sluiten de man en de vrouw een vaststellingsovereenkomst voor de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk.
  7. 13-03-2019 De rechtbank Zeeland-West-Brabant wijst een vonnis waarin de vorderingen van de man worden afgewezen.
  8. 11-06-2019 De man stelt hoger beroep in tegen het vonnis van 13 maart 2019.
  9. 20-07-2018 De man claimt buitengerechtelijke vernietiging van de vaststellingsovereenkomst vanwege dwaling.
  10. 14-10-2020 Er is een pleidooi gehouden voor het hof.
  11. 10-11-2020 Het gerechtshof 's-Hertogenbosch bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en wijst de vorderingen van de man af.