Hoofdverblijf kind bij stabiele ouder indien belang kind dat vereist.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch Β· 13 augustus 2015 Β· Hoger beroep Β· Civiel recht; Personen- en familierecht

Hoofdverblijf

Rechtsvraag

De centrale juridische vraag in deze zaak is of de hoofdverblijfplaats van de minderjarige dochter bij de moeder of de vader moet zijn.

Regel

  • art. 1:253a lid 1 BW (geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag)
  • art. 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW (geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft)
  • art. 362 Rv (verzoeken in hoger beroep)

Toepassing

  • art. 1:253a lid 1 BW (geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag) Het hof overweegt dat het geschil omtrent de hoofdverblijfplaats van de dochter onder de geschillen valt die aan de rechter kunnen worden voorgelegd inzake de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag. Het hof beoordeelt of de beslissing van de rechtbank om het hoofdverblijf bij de vader te plaatsen in het belang van het kind is. Het hof constateert dat de moeder onvoldoende in staat is gebleken om een stabiele en veilige opvoedingssituatie te creΓ«ren en dat de vader beter in staat is om dit te bieden, wat het belang van het kind dient. [Rechtsoverwegingen 3.13.1 - 3.13.4]
  • art. 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW (geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft) Het hof heeft vastgesteld dat de vader beter in staat is om een stabiele en veilige omgeving voor de dochter te bieden. De dochter ontwikkelt zich positief sinds ze bij de vader woont, en betrokken derden zien een verbetering ten opzichte van de situatie bij de moeder. De zorgen van de moeder over de verzorging door de vader worden niet herkend door school en hulpverlening, en de vader is in staat gebleken om zelfstandig het contact tussen de dochter en de moeder in stand te houden. [Rechtsoverwegingen 3.13.2 - 3.13.4]
  • art. 362 Rv (verzoeken in hoger beroep) Het hof verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek om een contactregeling vast te stellen, omdat dit verzoek voor het eerst in hoger beroep is gedaan en niet alle partijen ermee instemmen dat het hof dit verzoek als enige feitelijke instantie beslist. [Rechtsoverwegingen 3.15.1 - 3.16]

Conclusie

Het hof bevestigt de beslissing van de rechtbank dat de hoofdverblijfplaats van de dochter bij de vader moet zijn, omdat dit in het belang van het kind is. De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om een contactregeling, en de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd. Partijen zullen deelnemen aan een BOR3-traject om aan hun onderlinge verhouding te werken.

Partijen en standpunten

  • Eiser: de moeder
  • Gedaagde: de vader

De moeder verzoekt vernietiging van de eerdere beschikking en wil dat de hoofdverblijfplaats van hun dochter bij haar komt. Subsidiair vraagt ze om een zorg- en contactregeling waarbij hun dochter elk weekend bij haar verblijft.

De vader vraagt om de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep en de beschikking te bekrachtigen. Hij betwist de zorgclaims van de moeder en benadrukt zijn stabiliteit en zorgcapaciteiten.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 23-02-2010 [dochter] stond onder toezicht van de stichting van 23 februari 2010 tot 22 februari 2013.
  2. 17-02-2012 De rechtbank Maastricht heeft een begeleide omgangsregeling vastgesteld tussen de vader en [dochter].
  3. 13-12-2012 De rechtbank Maastricht heeft een contactregeling tussen de vader en [dochter] vastgesteld.
  4. 22-02-2013 De onder toezichtstelling van [dochter] door de stichting eindigt.
  5. 12-06-2013 De rechtbank Gelderland heeft de beschikking van 13 december 2012 gewijzigd en een nieuwe zorgregeling vastgesteld.
  6. 16-04-2014 De rechtbank Limburg heeft de beslissing over het hoofdverblijf, de zorgregeling, de dwangsom en de proceskosten aangehouden in afwachting van een beschermingsonderzoek.
  7. 22-04-2014 [dochter] is opnieuw onder toezicht gesteld van de stichting voor de duur van één jaar.
  8. 08-07-2014 Een machtiging tot uithuisplaatsing van [dochter] is verleend tot 22 april 2015, maar niet gebruikt door de stichting.
  9. 05-11-2014 De rechtbank Limburg heeft bepaald dat [dochter] het hoofdverblijf bij de vader heeft en dat de vader zo nodig de sterke arm en het Openbaar Ministerie kan inschakelen.
  10. 03-02-2015 De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 5 november 2014 en verzocht om de hoofdverblijfplaats van [dochter] bij haar te bepalen.
  11. 16-03-2015 De vader heeft een verweerschrift ingediend en verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep.
  12. 07-07-2015 Mondelinge behandeling vond plaats waarbij de moeder, vader, de raad en de stichting aanwezig waren.