Collectieve actie niet ontvankelijk zonder voldoende gelijksoortigheid; individuele vorderingen kunnen verjaren.

Gerechtshof Den Haag · 13 maart 2025 · Hoger beroep · Civiel recht; Verbintenissenrecht

‘Afstandsmoeders’-zaak; heeft Raad voor de Kinderbescherming in de periode 1956-1984 onrechtmatig gehandeld jegens moeders die hun kind in die periode hebben afgestaan ter adoptie? onjuiste/onvolledige voorlichting? ontvankelijkheid; gelijksoortigheidsvereiste 3:305a BW; verjaring; naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?

Rechtsvraag

Kan de Staat aansprakelijk worden gehouden voor het onrechtmatig handelen van de Raad voor de Kinderbescherming in verband met de scheiding van ongehuwde moeders van hun kinderen in de periode 1956-1984, en is de vordering van [appellante 1] verjaard?

Regel

  • art. 8 EVRM (recht op eerbiediging van privé- en familieleven)
  • art. 3:305a BW (oud) (collectieve actie en gelijksoortigheidsvereiste)
  • art. 3:310 lid 1 BW (verjaring van rechtsvorderingen)
  • art. 3:321 lid 1 onder f BW (verlenging van de verjaringstermijn bij opzettelijk verborgen houden van de schuld)
  • art. 6:2 lid 2 BW (beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid)

Toepassing

  • art. 8 EVRM (recht op eerbiediging van privé- en familieleven) De Moeders stellen dat de Raad voor de Kinderbescherming hun familieleven had moeten beschermen tegen maatschappelijke druk, een verplichting voortvloeiend uit art. 8 EVRM. Het hof betwijfelt of deze verplichting zo ver ging, gezien de maatschappelijke context destijds en de beperkte rol van de Raad volgens de wet en de wetsgeschiedenis.
  • art. 3:305a BW (oud) (collectieve actie en gelijksoortigheidsvereiste) BCW is niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de omstandigheden van de gevallen te veel verschillen en zich niet lenen voor een collectieve beoordeling. Het hof kan niet abstraheren van de bijzonderheden van individuele gevallen zonder de specifieke omstandigheden mee te wegen.
  • art. 3:310 lid 1 BW (verjaring van rechtsvorderingen) De vordering van [appellante 1] is verjaard, aangezien de verjaringstermijn van twintig jaar is verstreken. De verjaring startte op het moment van de feitelijke scheiding of adoptie en was voltooid in 1994, ruim voordat [appellante 1] de Staat aansprakelijk stelde in 2019.
  • art. 3:321 lid 1 onder f BW (verlenging van de verjaringstermijn bij opzettelijk verborgen houden van de schuld) Het hof oordeelt dat er geen sprake is van opzettelijk verborgen houden van de schuld door de Staat. De weigering om het bestaan van een vordering te erkennen, valt niet onder deze bepaling.
  • art. 6:2 lid 2 BW (beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid) Het beroep op verjaring is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het hof benadrukt de rechtszekerheid en de problemen met bewijslevering na zoveel jaren.

Conclusie

BCW is niet-ontvankelijk in haar vordering wegens onvoldoende gelijksoortigheid van de belangen. De vordering van [appellante 1] is verjaard en het beroep op verjaring is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De Staat is niet aansprakelijk voor het leed van de Moeders, niet omdat het hun eigen schuld was, maar omdat de juridische criteria niet zijn vervuld.

Partijen en standpunten

  • Eiser: [appellante 1] en Stichting Bureau Clara Wichmann
  • Gedaagde: de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid)

De Moeders eisen een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door ongehuwde moeders onjuist te informeren over afstand en adoptie, en eisen schadevergoeding.

De Staat betwist de ontvankelijkheid van BCW en beroept zich op verjaring van de vordering. Tevens wordt inhoudelijk verweer gevoerd.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 15-02-1968 [appellante 1] bevalt van haar zoon in de Sint Paula Stichting tehuis voor moeder en kind in Oosterbeek.
  2. 25-03-1968 Op verzoek van de Raad Arnhem wordt [appellante 1] geschorst uit de voogdij over haar zoon.
  3. 04-12-1968 [appellante 1] wordt door de rechter ontheven uit de voogdij over haar zoon op verzoek van de Raad Arnhem.
  4. 05-10-1970 De zoon van [appellante 1] wordt opgenomen in een pleeggezin.
  5. 31-10-1973 De rechter spreekt de adoptie van de zoon door het pleeggezin uit.
  6. 23-01-1974 De adoptiebeslissing wordt ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand van de gemeente Renkum en daarmee onherroepelijk.
  7. 29-08-2018 [appellante 1] ontmoet haar zoon voor het eerst sinds de adoptie.
  8. Begin 2019 [appellante 1] vraagt dossiers op bij de Paula Stichting en de Raad voor de Kinderbescherming en ziet deze in.
  9. 09-09-2019 [appellante 1] stelt de Staat aansprakelijk voor het leed en de schade door de onvrijwillige scheiding van haar zoon.
  10. 06-11-2019 BCW stelt de Staat aansprakelijk voor de schade aan de afstandsmoeders die haar achterban vormen.
  11. 21-04-2022 De Moeders gaan in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 26 januari 2022.
  12. 26-01-2022 De rechtbank wijst de vorderingen van de Moeders af op inhoudelijke gronden.