Fiscale eenheid tot stand gekomen; renteaftrek deels terecht geweigerd op grond van artikel 10a Wet Vpb.
Vennootschapsbelasting. Fiscale eenheid tot stand gekomen? Renteaftrek terecht gecorrigeerd? Compenserende heffing als bedoeld in artikel 10a, lid 3, Wet Vpb (tekst tot en met 2006). Geen beperking van de heffingsrente in verband met lange behandelduur van de bezwaarschriften, wel immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.
Rechtsvraag
Is de fiscale eenheid tot stand gekomen tussen belanghebbende en haar dochtermaatschappijen, en is de renteaftrek van de leningsovereenkomst terecht geweigerd? Daarnaast, dient de heffingsrente te worden verminderd vanwege de lange behandelduur van de bezwaarschriften, en is een hogere immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn gerechtvaardigd?
Regel
- art. 15, Wet Vpb (fiscale eenheid vennootschapsbelasting)
- art. 10a, lid 2, Wet Vpb (renteaftrekbeperking)
- art. 8:29, Awb (beperkte kennisneming)
- art. 30f, AWR (heffingsrente)
- HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006 (redelijke termijn immateriële schadevergoeding)
- HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 (bijzondere omstandigheden redelijke termijn)
Toepassing
- art. 15, Wet Vpb (fiscale eenheid vennootschapsbelasting) De rechter oordeelde dat belanghebbende zowel de juridische als de economische eigendom van de aandelen in de dochtermaatschappijen had, waardoor de fiscale eenheid tot stand kwam. Belanghebbende handelde als economisch eigenaar en heeft geen bewijs geleverd dat zij niet de economische eigendom had.
- art. 10a, lid 2, Wet Vpb (renteaftrekbeperking) De rente die belanghebbende betaalde aan [N.V. 3] houdt verband met de verwerving van de aandelen in [B.V. 2], waardoor artikel 10a van toepassing is. Echter, voor 10% van de rente is een wijziging in het uiteindelijke belang, waardoor deze rente wel aftrekbaar is. Voor de resterende rente is een compenserende heffing aanwezig voor 45% van de rente, omdat deze bij [A] in de heffing is betrokken.
- art. 8:29, Awb (beperkte kennisneming) Belanghebbende heeft toestemming verleend aan het Hof om mede op basis van de stukken ten aanzien waarvan de Inspecteur een gerechtvaardigd verzoek om geheimhouding heeft gedaan, uitspraak te doen.
- art. 30f, AWR (heffingsrente) De lange behandelduur van de bezwaarschriften heeft geen invloed op de berekende heffingsrente, aangezien deze wordt berekend vanaf 1 januari van het jaar volgend op het einde van het boekjaar waarvoor een aanslag wordt opgelegd.
- HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006 (redelijke termijn immateriële schadevergoeding) De redelijke termijn is overschreden met 14 jaar en 11 maanden. De Rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen.
- HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 (bijzondere omstandigheden redelijke termijn) De Rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de uitbraak van het coronavirus een bijzondere omstandigheid vormt die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt.
Conclusie
De rechter concludeerde dat de fiscale eenheid tot stand is gekomen en dat de renteaftrek grotendeels terecht is geweigerd, behoudens het deel waarvoor een compenserende heffing is aangetoond. De heffingsrente wordt niet verminderd vanwege de behandelduur. Belanghebbende heeft recht op een hogere immateriële schadevergoeding van € 15.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Partijen en standpunten
- Eiser: [X] B.V.
- Gedaagde: Inspecteur van de Belastingdienst
Eiser stelt dat er geen fiscale eenheid tot stand is gekomen met de dochtermaatschappijen en dat de renteaftrek ten onrechte is geweigerd.
De Inspecteur stelt dat de fiscale eenheid wel tot stand is gekomen en dat de renteaftrek terecht is geweigerd op grond van artikel 10a Wet Vpb.
Wetsartikelen
Tijdlijn
- 01-01-2001 Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2001 tot en met 2005 aanslagen in de vennootschapsbelasting opgelegd; voor het jaar 2001 een aanslag van nihil en voor de jaren 2002 tot en met 2005 aanslagen naar belastbare bedragen van respectievelijk € 750.137 (2002), € 973.576 (2003), € 774.646 (2004) en € 293.907 (2005).
- 10-01-2005 Belanghebbende heeft bezwaarschriften ingediend tegen de aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 2001 tot en met 2005.
- 15-11-1997 In een op 15 november 1997 gedateerde participatieovereenkomst zijn [N.V. 1] en [B] overeengekomen dat [N.V. 1] 50% van haar economische belang bij de aandelen in [B.V. 4] houdt voor rekening en risico van [B].
- 16-08-2001 [N.V. 3] heeft op 16 augustus 2001 alle aandelen in [B.V. 2] van [B.V. 3] verworven voor een bedrag van NLG 1.530.000.
- 05-11-2001 [N.V. 3] en belanghebbende hebben een overeenkomst gesloten met betrekking tot de verkoop door [N.V. 3] van alle aandelen in [B.V. 2] aan belanghebbende voor een bedrag van NLG 10.000.000.
- 29-11-2001 [N.V. 3] heeft alle aandelen in [B.V. 2] aan belanghebbende geleverd.
- 01-01-2002 Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht om met ingang van 1 januari 2002 vennootschapsbelasting te heffen op de voet van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb), waarbij belanghebbende moedermaatschappij is en [B.V. 2], [B.V. 4] en [B.V. 5] de gevoegde dochtermaatschappijen.
- 02-02-2021 De geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft geoordeeld dat het verzoek van de Inspecteur om beperkte kennisneming ex artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van een vaststellingsovereenkomst die is gesloten met de heer [A], slaagt.
- 09-12-2021 De Rechtbank Den Haag verklaart het beroep gericht tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2004 gegrond en vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar voor zover deze de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2004 betreft.
- 24-08-2022 De geheimhoudingskamer van het Hof heeft geoordeeld dat het verzoek om beperkte kennisneming van de vaststellingsovereenkomst slaagt.
- 23-06-2023 Van de zijde van belanghebbende is een nader stuk ontvangen.
- 05-07-2023 De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof.