Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding ondanks opzegverbod tijdens ziekte.

Gerechtshof Den Haag · 15 februari 2019 · Hoger beroep · Civiel recht; Arbeidsrecht

Toetsingsmoment opzegverbod ziekte bij g-grond. Ex tunc. Hof houdt wel rekening met deskundigenoordeel dat betrekking heeft op de situatie ten tijde van de procedure in eerste aanleg, maar pas in hoger beroep in het geding wordt gebracht.

Rechtsvraag

Was er een opzegverbod van toepassing vanwege ziekte op het moment van ontbinding van de arbeidsovereenkomst en was de arbeidsovereenkomst terecht ontbonden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding?

Regel

  • art. 7:671b lid 2 BW (Opzegverbod tijdens ziekte)
  • art. 7:671b lid 6 sub a BW (Uitzondering op opzegverbod)
  • art. 7:669 lid 3 sub g BW (Verstoorde arbeidsverhouding als grond voor ontbinding)
  • art. 7:669 lid 3 sub h BW (Andere gronden voor ontbinding)

Toepassing

  • art. 7:671b lid 2 BW (Opzegverbod tijdens ziekte) Hoewel [verzoekster] zich op 18 september 2017 ziek meldde, oordeelde de bedrijfsarts dat er geen sprake was van arbeidsongeschiktheid. Het deskundigenoordeel van het UWV van 2 januari 2018 stelde echter dat [verzoekster] op 19 september 2017 niet geschikt was om haar eigen werk te verrichten. Het hof oordeelde dat het deskundigenoordeel moest worden meegenomen, ondanks dat het pas na de mondelinge behandeling in eerste aanleg was verkregen. Dit oordeel werd gebaseerd op het herstelkarakter van het hoger beroep. Het hof stelde dat er geen rechtens relevant verband was tussen het ontbindingsverzoek en de ziekte van [verzoekster] (Rechtsoverwegingen 4.1 - 4.6).
  • art. 7:671b lid 6 sub a BW (Uitzondering op opzegverbod) Het hof oordeelde dat de uitzondering van toepassing was, namelijk dat het ontbindingsverzoek geen verband hield met de ziekte van [verzoekster], maar met de verstoorde arbeidsverhouding. De verstoorde arbeidsverhouding was ontstaan door verschillende factoren, waaronder de houding en het gedrag van [verzoekster] ten aanzien van haar werk en haar collega's, en niet uitsluitend door haar ziekte (Rechtsoverweging 4.6).
  • art. 7:669 lid 3 sub g BW (Verstoorde arbeidsverhouding als grond voor ontbinding) Het hof bevestigde dat er sprake was van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding tussen [verzoekster] en Centric. Dit was gebaseerd op verschillende incidenten en de houding van [verzoekster] ten opzichte van haar werk en collega's. De kantonrechter had terecht geoordeeld dat herplaatsing binnen Centric niet in de rede lag gezien het gebrek aan vertrouwen en de beperkte resterende duur van de arbeidsovereenkomst (Rechtsoverwegingen 4.7 - 4.12).
  • art. 7:669 lid 3 sub h BW (Andere gronden voor ontbinding) Hoewel deze grond subsidiair werd aangevoerd, was het hof van oordeel dat de verstoorde arbeidsverhouding (sub g) de primaire reden was voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, en dat andere gronden niet expliciet hoefden te worden besproken (Rechtsoverweging 3.1).

Conclusie

Het hof bekrachtigde de beschikking van de kantonrechter te Gouda van 3 januari 2018, waarin de arbeidsovereenkomst tussen [verzoekster] en Centric werd ontbonden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, zonder toekenning van een vergoeding aan [verzoekster]. Daarnaast werd Centric veroordeeld tot betaling van € 1.320,72 bruto aan [verzoekster] voor openstaande vakantiedagen, vermeerderd met wettelijke rente en een wettelijke verhoging van 10%. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd.

Partijen en standpunten

  • Eiser: [verzoekster]
  • Gedaagde: Centric Netherlands B.V.

[verzoekster] verzocht om vernietiging van de beschikking, primair herstel van de arbeidsovereenkomst met nevenvoorzieningen, subsidiair een billijke vergoeding van € 11.448,- en uitbetaling van openstaande vakantiedagen.

Centric verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding of andere gronden en voerde aan dat [verzoekster] arbeidsgeschikt was.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 01-07-2017 [verzoekster] treedt in dienst bij Centric als corporate recruiter voor de duur van één jaar, voor 40 uur per week, met een loon van € 2.650,- bruto per maand.
  2. 17-07-2017 [verzoekster] meldt zich ziek.
  3. 19-07-2017 [verzoekster] hervat haar werkzaamheden na twee dagen ziekte.
  4. 08-08-2017 [verzoekster] meldt zich opnieuw ziek.
  5. 14-08-2017 [verzoekster] bezoekt de bedrijfsarts, die aangeeft dat [verzoekster] tijdelijk arbeidsongeschikt is en haar enkele adviezen meegeeft.
  6. 21-08-2017 De bedrijfsarts geeft aan dat [verzoekster] weer volledig in staat is om haar eigen werk te verrichten.
  7. 31-08-2017 [verzoekster] heeft een gesprek met de bedrijfsarts en geeft aan weinig te doen te hebben op het werk, wat problemen veroorzaakt. De bedrijfsarts acht haar in staat haar eigen werk volledig te verrichten en geeft opnieuw adviezen.
  8. 05-09-2017 Er vinden diverse gesprekken plaats tussen Centric en [verzoekster].
  9. 11-09-2017 [verzoekster] stuurt een e-mail aan de HRM-manager waarin zij haar klachten en onvrede over de werkomgeving uit.
  10. 14-09-2017 Er vindt een gesprek plaats tussen [verzoekster], haar leidinggevende en de HRM-consultant, waarin een vervolggesprek voor 18 september 2017 wordt ingepland.
  11. 18-09-2017 [verzoekster] meldt zich opnieuw ziek en bezoekt dezelfde dag de bedrijfsarts, die aangeeft dat er sprake is van een meningsverschil/onvrede en niet van ziekte conform de WVP.
  12. 19-09-2017 Centric bericht [verzoekster] dat haar salaris wordt stopgezet omdat zij niet meewerkt aan het advies van de bedrijfsarts.