Liquidatieverliesregeling vereist strikte toepassing zonder afwijking door doel en strekking.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ยท 29 oktober 2024 ยท Hoger beroep ยท Bestuursrecht; Belastingrecht

VPB. Liquidatieverliesregeling.

Rechtsvraag

Of de Inspecteur terecht het liquidatieverlies met toepassing van artikel 13d, lid 4, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 niet in aanmerking heeft genomen.

Regel

  • art. 13d, lid 4, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (beperking aftrekbaarheid liquidatieverlies bij waardedaling van deelneming die tot het vermogen van het ontbonden lichaam behoorde)

Toepassing

  • art. 13d, lid 4, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (beperking aftrekbaarheid liquidatieverlies bij waardedaling van deelneming die tot het vermogen van het ontbonden lichaam behoorde) Het Hof stelt vast dat sprake is van een situatie waarin tot het vermogen van het ontbonden lichaam een deelneming heeft behoord die is vervreemd en die in waarde is gedaald sinds de verkrijging van de deelneming in het ontbonden lichaam. Het liquidatieverlies overstijgt de waardedaling niet. Belanghebbende erkent dat op basis van de bewoordingen van artikel 13d, lid 4, van de Wet geen liquidatieverlies in aanmerking kan worden genomen. Het Hof concludeert dat de wetgever de reikwijdte van artikel 13d, lid 4, nauwkeurig en duidelijk heeft afgebakend om oneigenlijk gebruik tegen te gaan. Het Hof wijst het argument van belanghebbende af dat er een andere uitleg aan de bepaling zou moeten worden gegeven dan de duidelijke bewoordingen van de wet. De toepassing van de fiscale eenheid moet worden genegeerd, omdat het geen externe werking heeft. (Rechtsoverwegingen 4.3, 4.4, 4.6, 4.7, 4.8, 4.9, 4.10, 4.11)

Conclusie

Het hoger beroep is ongegrond. De Inspecteur heeft terecht het liquidatieverlies met toepassing van artikel 13d, lid 4, van de Wet niet in aanmerking genomen. De wetgever heeft de reikwijdte van deze bepaling duidelijk afgebakend en er is geen grond om af te wijken van de duidelijke bewoordingen van de wet.

Partijen en standpunten

  • Eiser: [belanghebbende] B.V.
  • Gedaagde: Inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Groningen

Belanghebbende stelt dat artikel 13d, lid 4, van de Wet niet van toepassing is omdat het liquidatieverlies niet tweemaal wordt verrekend en stelt dat verliezen definitief verloren gaan, wat in strijd is met de doel en strekking van de wet. Ze willen een liquidatieverlies van โ‚ฌ 4.469.899 in aanmerking nemen.

De Inspecteur stelt dat het liquidatieverlies terecht niet in aanmerking is genomen en dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

Tijdlijn

  1. 25-10-1994 Belanghebbende is opgericht en haar activiteiten worden omschreven als concerndiensten binnen eigen concern en advisering op het gebied van management en bedrijfsvoering.
  2. 13-07-2000 Belanghebbende heeft een belang van 50% in [naam7] B.V. verworven.
  3. 13-07-2000 [naam7] heeft een belang van 60,55% in [naam8] B.V. verworven voor een bedrag van โ‚ฌ 1.581.878.
  4. 30-12-2008 Belanghebbende heeft de aandelen in [naam7] verkocht aan haar dochtermaatschappij [naam9] B.V.
  5. 22-12-2011 [naam9] heeft een aandelenbelang van 34,2% in [naam8] verworven van N.V. [naam10] voor โ‚ฌ 2.550.000.
  6. 17-01-2012 [naam9] heeft 30,27% van de aandelen in [naam8] overgenomen van haar dochter [naam7] voor โ‚ฌ 2.255.748.
  7. 12-04-2016 [naam9] heeft 3,6% van de aandelen in [naam8] overgenomen van [naam18] voor โ‚ฌ 246.534.
  8. 30-12-2015 [naam9] heeft een bedrag van โ‚ฌ 2.448.000 in [naam8] gestort tegen de uitreiking van een cumulatief preferent aandeel.
  9. 13-03-2012 [naam8] heeft haar deelneming [naam12] B.V. aan een derde verkocht.
  10. 21-03-2013 [naam8] heeft haar deelnemingen [naam13] B.V. en [naam15] [naam17] B.V. ontbonden en vereffend.
  11. 13-06-2016 [naam8] heeft haar laatste deelneming [naam14] voor โ‚ฌ 1 verkocht aan een derde.
  12. 22-11-2017 Het winstrecht werd door [naam8] voor โ‚ฌ 10.000 aan haar aandeelhouders overgedragen.