Executoriaal derdenbeslag herleeft bij vernietiging van het vonnis, ondanks niet tijdig aanhangig gemaakte verklaringsprocedure.

Gerechtshof Amsterdam Β· 30 januari 2024 Β· Hoger beroep Β· Civiel recht

Kort geding tot opheffing executoriaal derdenbeslag bij Adyen. Komt het geld voor de korte periode dat het bij Adyen staat toe aan de kansspelaanbieder of zijn de spelers die het geld naar hun spelersaccount overmaken rechthebbende?

Rechtsvraag

De kernvraag in deze zaak is of het door [appellant] ten laste van Green onder Adyen gelegde executoriale derdenbeslag moet worden opgeheven.

Regel

  • art. 476a Rv (Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) (Verklaringsprocedure bij derdenbeslag)
  • art. 53 Brussel I bis-Vo (EU-verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken) (Certificaat voor beslissingen)
  • Arrest Hoge Raad 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9441 (Kwaliteitsrekening notarissen)
  • Arrest Hoge Raad 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3413 (Kwaliteitsrekening advocaten en accountants)
  • Arrest Hoge Raad 26 november 1954, NJ 1954, 689 (Lindeteves doctrine)

Toepassing

  • art. 476a Rv (Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) (Verklaringsprocedure bij derdenbeslag) De door [appellant] op 11 augustus 2022 aan Adyen uitgebrachte dagvaarding (verklaringsprocedure) is nooit aanhangig gemaakt. De termijn van twee maanden waarbinnen een dergelijke procedure aanhangig moet worden gemaakt is verstreken, waardoor Adyen de onder haar beslagen gelden inmiddels aan Green heeft uitbetaald.
  • art. 53 Brussel I bis-Vo (EU-verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken) (Certificaat voor beslissingen) [appellant] beschikt ten aanzien van beide Oostenrijkse uitspraken over een certificaat op grond van artikel 53 Brussel I bis-Vo. Deze certificaten zijn op 17 juni 2022 aan Green betekend.
  • Arrest Hoge Raad 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9441 (Kwaliteitsrekening notarissen) De voorzieningenrechter oordeelde dat Green handelt als lasthebber bij het innen van de gelden van de spelers en dat de gelden die bij Adyen beslagen zijn niet tot het vermogen van Green behoren. Deze analogie is echter verworpen omdat Green niet voldoende heeft aangetoond dat zij als lasthebber van de spelers optreedt en dat de gelden bij Adyen niet tot haar vermogen behoren.
  • Arrest Hoge Raad 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3413 (Kwaliteitsrekening advocaten en accountants) Het hof acht de kwalificatie van de rechtsverhouding tussen Green en Adyen onvoldoende onderbouwd door Green. Green heeft niet aangetoond dat de gelden bij Adyen een kwaliteitsrekening betreffen vergelijkbaar met die van advocaten en accountants onder Nederlands recht.
  • Arrest Hoge Raad 26 november 1954, NJ 1954, 689 (Lindeteves doctrine) Green heeft betoogd dat de Lindeteves doctrine van toepassing is, waardoor beslag in Nederland niet mogelijk zou zijn zonder erkenning in Malta. Het hof oordeelt echter dat de Brussel I bis-Vo voorrang heeft en dat de Lindeteves doctrine in dit geval niet in de weg staat aan het beslag.

Conclusie

Het hof vernietigt het bestreden vonnis en wijst de vordering van Green af. Het beslag dat [appellant] onder Adyen heeft gelegd herleeft, ondanks dat de verklaringsprocedure niet tijdig is aanhangig gemaakt. Green wordt veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.

Partijen en standpunten

  • Eiser: [appellant]
  • Gedaagde: Mr. GREEN LIMITED

[appellant] vordert de vernietiging van het vonnis van de voorzieningenrechter en afwijzing van de vorderingen van Green, inclusief veroordeling van Green tot terugbetaling van onverschuldigde betalingen en proceskosten.

Green verzoekt bekrachtiging van het bestreden vonnis en vordert in incidenteel appel dat [appellant] wordt bevolen de executie van Oostenrijkse titels bij Adyen te staken, op straffe van een dwangsom.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 30-11-2021 Bij vonnis van het Landesgericht Linz (Oostenrijk) is Green veroordeeld om aan [appellant] een bedrag van € 25.889,62 vermeerderd met 4% rente vanaf 15 april 2021 te betalen, alsmede een bedrag van € 5.334,62 aan proceskosten. De grondslag was dat Green onlinekansspelen aanbood zonder vereiste vergunning in Oostenrijk, waardoor de overeenkomst nietig was.
  2. 10-02-2022 Bij uitspraak van het Oberlandesgericht Linz is het door Green ingestelde hoger beroep afgewezen en is Green veroordeeld tot betaling van € 2.286,72 aan proceskosten.
  3. 09-06-2022 [appellant] heeft ten laste van Green executoriaal derdenbeslag gelegd onder Adyen N.V., een betaaldienstverlener gevestigd in Amsterdam. De vordering werd begroot op € 35.219,52 + PM.
  4. 17-06-2022 Op verzoek van [appellant] zijn beide certificaten ex artikel 53 Brussel I bis-Vo aan Green betekend.
  5. 19-06-2022 Bij e-mail heeft de advocaat van Adyen mr. Sujecki bericht dat Adyen uitsluitend in Malta bevrijdend kan betalen aan Green vanwege dwingende voorschriften van Maltees recht.
  6. 20-06-2022 Bij e-mail heeft de advocaat van Adyen bericht dat Adyen op het moment van beslaglegging € 118.174,55 verschuldigd was aan Green.
  7. 11-08-2022 De door [appellant] aan Adyen uitgebrachte dagvaarding op de voet van artikel 476a Rv is nooit aanhangig gemaakt. De termijn van twee maanden is verstreken en Adyen heeft de onder haar beslagen gelden aan Green uitbetaald.
  8. 19-08-2022 De voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam heeft het door [appellant] ten laste van Green onder Adyen gelegde executoriale derdenbeslag opgeheven en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.
  9. 14-09-2022 [appellant] is bij dagvaarding in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter van 19 augustus 2022.
  10. 28-06-2023 Partijen hebben de zaak ter zitting van het hof bepleit. [appellant] werd vertegenwoordigd door mr. Sujecki en mr. A.J. Gieske, en Green door mr. Das Gupta.
  11. 30-01-2024 Het hof vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter, wijst de vordering van Green af, en veroordeelt Green in de kosten van het geding in beide instanties.