OK-bestuurder mag bevoegdheden uitoefenen; obstructie door jointventurepartner verboden.
OK; enquêterecht; verzoek en zelfstandig tegenverzoek, beide tot het treffen van bepaalde onmiddellijke voorzieningen; bij wege van onmiddellijke voorziening heeft de Ondernemingskamer diverse verboden en geboden uitgesproken, op straffe van het verbeuren van dwangsommen bij overtreding respectievelijk niet voldoen
Rechtsvraag
De kernvraag in deze zaak is of de Ondernemingskamer de door MHR1 verzochte onmiddellijke voorzieningen moet toewijzen, waaronder de benoeming van een nieuwe bestuurder naast de OK-bestuurder en het ongedaan maken van de benoeming van [E] als bestuurder van MORE, en of de tegenverzoeken van FM1 c.s. om MHR1 c.s. en [C] te verbieden de positie en bevoegdheden van de OK-bestuurder aan te vechten, moeten worden toegewezen.
Regel
- Art. 2:349a lid 2 BW (Benoeming van een tijdelijke bestuurder en overdracht van aandelen ten titel van beheer om de vennootschap te beschermen tegen ernstige misstanden)
- Art. 2:8 lid 1 BW (Verplichting voor partijen om zich te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd)
Toepassing
- Art. 2:349a lid 2 BW (Benoeming van een tijdelijke bestuurder en overdracht van aandelen ten titel van beheer om de vennootschap te beschermen tegen ernstige misstanden) De Ondernemingskamer heeft op 20 juli 2023 de OK-bestuurder benoemd en de aandelen van [A] en MHR1 in FM1 ten titel van beheer overgedragen aan Dekker vanwege de ernstig verstoorde verhoudingen tussen [A] en MHR1, die leidden tot een vennootschappelijke en operationele patstelling bij FM1. De OK-bestuurder heeft de bevoegdheid gekregen om de aandeelhoudersrechten van FM1 in haar dochtervennootschappen uit te oefenen. De door MHR1 verzochte benoeming van [B] naast de OK-bestuurder zou de huidige impasse niet oplossen, maar eerder verergeren. De Ondernemingskamer acht de benoeming van [E] als derde bestuurder van MORE en andere dochtervennootschappen passend om een patstelling te voorkomen en de continuïteit van de bedrijfsvoering te waarborgen.
- Art. 2:8 lid 1 BW (Verplichting voor partijen om zich te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd) MHR1 c.s. en [C] hebben door hun handelen, zoals het verstrekken van misleidende informatie aan banken en het Duitse handelsregister, en het instellen van juridische procedures om de inschrijving van [E] als bestuurder van MORE tegen te houden, gehandeld in strijd met hun verplichting om zich naar redelijkheid en billijkheid te gedragen jegens FM1 en degenen die bij haar organisatie zijn betrokken. Dit handelen heeft de effectieve werking van de eerder door de Ondernemingskamer getroffen voorzieningen gefrustreerd en de continuïteit van de bedrijfsvoering van FM1 en haar dochtervennootschappen ernstig bedreigd.
Conclusie
De Ondernemingskamer wijst de verzoeken van MHR1 om onmiddellijke voorzieningen, waaronder de benoeming van [B] als bestuurder naast de OK-bestuurder en het ongedaan maken van de benoeming van [E] als bestuurder van MORE, af. De Ondernemingskamer wijst de tegenverzoeken van FM1 c.s. toe en bepaalt dat MHR1 c.s. en [C] zich moeten onthouden van elke uitlating of gedraging die de positie en bevoegdheden van de OK-bestuurder aanvechten, en dat zij het Duitse handelsregister moeten verzoeken om de inschrijving van [E] als bestuurder van MORE en andere FM1-vennootschappen te voltooien. Tevens worden dwangsommen vastgesteld voor overtreding van deze geboden.
Partijen en standpunten
- Eiser: [A]
- Gedaagde: FM1 Invest Germany B.V.
[A] heeft de Ondernemingskamer verzocht om bepaalde onmiddellijke voorzieningen te treffen, waaronder de benoeming van een nieuwe onafhankelijk bestuurder en de vernietiging van besluiten die zijn bestuursbevoegdheden beperken. Hij stelt dat er onregelmatigheden zijn gepleegd door MHR1 en dat de huidige OK-bestuurder niet in het belang van de vennootschap handelt.
FM1 c.s. en de OK-bestuurder stellen dat de gevraagde voorzieningen van [A] ongegrond zijn en dat zijn verzoeken moeten worden afgewezen. Ze vragen ook om onmiddellijke voorzieningen om te voorkomen dat MHR1 c.s. de werkzaamheden van de OK-bestuurder en [E] verder frustreren. Ze benadrukken dat het handelen van MHR1 c.s. de vennootschap ernstig schaadt en een faillissement dreigt.
Wetsartikelen
Tijdlijn
- 23-12-2014 FM1 werd opgericht door [A] en MHR1, die elk 50% van de gewone aandelen in het kapitaal van FM1 hielden.
- 04-05-2017 [D] werd benoemd als enig bestuurder van FM1.
- 01-01-2021 Discussie tussen [A] en MHR1 over de toekomst van de FM1-groep en de te volgen koers.
- 27-09-2021 Een Duitse advocaat namens MHR1 schreef aan [D] over vermeende onttrekkingen door [A] van gelden aan groepsvennootschappen van FM1.
- 04-10-2021 [D] besloot namens FM1 om [B] te benoemen tot bestuurder van MORE en de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [A] te beperken.
- 05-10-2021 MOREH besloot dat [A] en [B] slechts gezamenlijk bevoegd zijn tot vertegenwoordiging van MOD.
- 24-12-2021 De algemene vergadering van MORE besloot dat [B] zelfstandig bevoegd is om MORE te vertegenwoordigen.
- 26-12-2021 MOREH besloot dat [B] zelfstandig bevoegd is tot vertegenwoordiging van MOD.
- 22-02-2022 [A] startte een kort geding bij de rechtbank Amsterdam tegen de besluiten van de algemene vergadering van MORE van 4 oktober en 24 december 2021.
- 30-03-2022 De rechtbank Amsterdam veroordeelde [D] en FM1 tot het ongedaan maken van de gevolgen van de besluiten van de algemene vergadering van MORE van 4 oktober en 24 december 2021.
- 06-05-2022 [E] werd benoemd tot derde bestuurder van MORE.
- 27-06-2022 [E] diende zijn ontslag in omdat hij niet werd betaald.