Overschrijding van vergunde hoeveelheden leidt tot douaneschuld onder artikel 79 DWU.
Douanerecht; op de zaak betrekking hebbende stukken; gevolg overschrijding in vergunning bijzondere bestemmingen vermelde hoeveelheid en/of waarde; rente op rente op achterstallen over douaneschulden die zijn ontstaan v贸贸r 1 mei 2016
Rechtsvraag
Is de uitnodiging tot betaling (utb) van douanerechten en rente op achterstallen aan [X BV] terecht opgelegd vanwege overschrijding van de vergunde hoeveelheden vis onder de regeling bijzondere bestemmingen?
Regel
- art. 79 lid 1 letter c, Verordening (EU) nr. 952/2013 DWU (douaneschuld bij niet-naleving voorwaarden bijzondere bestemming)
- art. 204 lid 1, Verordening (EEG) nr. 2454/93 UCDW (douaneschuld bij niet-naleving voorwaarden bijzondere bestemming)
- art. 212bis, Verordening (EEG) nr. 2454/93 UCDW (gunstige tariefbehandeling ondanks douaneschuld onder voorwaarden)
- art. 220 lid 2 onder b, Verordening (EEG) nr. 2454/93 UCDW (geen navordering bij vergissing douane)
- art. 124 lid 1 onder h, Verordening (EU) nr. 952/2013 DWU (tenietgaan douaneschuld bij verzuim zonder gevolgen)
- art. 114 lid 2, Verordening (EU) nr. 952/2013 DWU (rente op achterstallen)
Toepassing
- art. 79 lid 1 letter c, Verordening (EU) nr. 952/2013 DWU (douaneschuld bij niet-naleving voorwaarden bijzondere bestemming) Het Hof oordeelde dat [X BV] de vergunde hoeveelheden vis overschreed zonder aanvullende vergunning, waardoor een douaneschuld ontstond. De overschrijding van de hoeveelheden in de vergunning impliceert dat [X BV] niet voldeed aan de voorwaarden voor de regeling bijzondere bestemmingen, wat resulteert in een douaneschuld volgens art. 79 lid 1 letter c DWU. (Rechtsoverweging 5.11 en 5.12)
- art. 204 lid 1, Verordening (EEG) nr. 2454/93 UCDW (douaneschuld bij niet-naleving voorwaarden bijzondere bestemming) Het Hof bevestigde dat de overschrijding van de vergunde hoeveelheden vis door [X BV] leidde tot een douaneschuld, omdat niet aan de voorwaarden voor de bijzondere bestemming was voldaan. De douaneschuld ontstond omdat de vergunning niet toereikend was voor de ingevoerde hoeveelheden. (Rechtsoverweging 5.10, 5.11)
- art. 212bis, Verordening (EEG) nr. 2454/93 UCDW (gunstige tariefbehandeling ondanks douaneschuld onder voorwaarden) Het Hof wees het beroep op artikel 212bis UCDW af, omdat [X BV] niet over een toereikende vergunning beschikte. Daardoor kon geen aanspraak worden gemaakt op de gunstige tariefbehandeling, zelfs niet als het contingent nog niet was uitgeput. (Rechtsoverweging 5.17)
- art. 220 lid 2 onder b, Verordening (EEG) nr. 2454/93 UCDW (geen navordering bij vergissing douane) Het Hof oordeelde dat er geen sprake was van een vergissing door de douane die navordering zou uitsluiten. De administratieve controle had vastgesteld dat douaneschulden waren ontstaan, en deze waren correct geboekt. (Rechtsoverweging 5.18)
- art. 124 lid 1 onder h, Verordening (EU) nr. 952/2013 DWU (tenietgaan douaneschuld bij verzuim zonder gevolgen) Het Hof wees het beroep op artikel 124 lid 1 onder h DWU af, omdat de situatie niet viel onder de limitatieve lijst van verzuimen zonder werkelijke gevolgen. De overschrijding van de vergunning was niet een verzuim zonder gevolgen. (Rechtsoverweging 5.14)
- art. 114 lid 2, Verordening (EU) nr. 952/2013 DWU (rente op achterstallen) Het Hof oordeelde dat de rente op achterstallen vanaf 1 mei 2016 verschuldigd was, ongeacht de datum waarop de douaneschulden waren ontstaan. Dit was in lijn met de bedoeling van de Uniewetgever. (Rechtsoverweging 5.23, 5.24)
Conclusie
De utb aan [X BV] is terecht opgelegd. De overschrijding van de vergunde hoeveelheden vis leidde tot een douaneschuld, omdat niet aan de voorwaarden van de regeling bijzondere bestemmingen was voldaan. De rente op achterstallen is vanaf 1 mei 2016 terecht berekend. Het hoger beroep van [X BV] is ongegrond en het incidenteel hoger beroep van de inspecteur is gegrond.
Partijen en standpunten
- Eiser: [X BV]
- Gedaagde: Inspecteur van de Belastingdienst/Douane
De eiser stelt dat de overschrijding van de vergunde hoeveelheden vis niet tot een douaneschuld leidt en dat de utb daarom vernietigd moet worden.
De gedaagde stelt dat de overschrijding van de vergunde hoeveelheden een douaneschuld doet ontstaan volgens artikel 79 lid 1 letter c DWU.
Wetsartikelen
Tijdlijn
- 05-04-2013 X BV heeft een aanvraag ingediend voor een vergunning bijzondere bestemming voor de handel in visproducten.
- 16-05-2013 De inspecteur heeft de vergunning bijzondere bestemming verleend aan X BV met een geldigheidsduur van 1 juni 2013 tot 1 juni 2016.
- 25-07-2017 X BV meldt in een memo dat zij de hoeveelheden in de vergunning heeft overschreden met kabeljauw en Alaska koolvis tussen 1 juni 2014 en 31 mei 2016.
- 21-09-2017 De inspecteur heeft een uitnodiging tot betaling uitgereikt aan X BV voor overschrijding van de vergunde hoeveelheden vis.
- 14-12-2017 Het door X BV gemaakte bezwaar tegen de uitnodiging tot betaling is door de inspecteur ongegrond verklaard.
- 01-04-2021 De rechtbank verklaart het beroep van X BV gegrond voor wat betreft de rente op achterstallen, vernietigt de uitspraak op bezwaar gedeeltelijk en veroordeelt de inspecteur en de Minister in kosten en immateri毛le schadevergoeding.
- 18-05-2021 X BV heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland.
- 08-07-2021 X BV heeft een aanvulling op het hoger beroep ingediend bij het Hof.
- 04-10-2021 X BV heeft een zienswijze ingediend op het incidenteel hoger beroep van de inspecteur.
- 18-11-2022 X BV heeft nadere stukken ingediend bij het Hof.
- 28-11-2022 X BV heeft meer nadere stukken ingediend bij het Hof.
- 29-11-2022 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden bij het Hof, waarbij ook andere gerelateerde zaken zijn behandeld.