Overschrijding vergunninghoeveelheid leidt tot douaneschuld; rente vanaf 1 mei 2016 mogelijk.

Gerechtshof Amsterdam · 3 mei 2023 · Hoger beroep · Bestuursrecht; Belastingrecht

Douanerecht; op de zaak betrekking hebbende stukken; gevolg overschrijding in vergunning bijzondere bestemmingen vermelde hoeveelheid en/of waarde; rente op rente op achterstallen over douaneschulden die zijn ontstaan vóór 1 mei 2016

Rechtsvraag

Is de uitnodiging tot betaling (utb) voor [X BV] terecht en correct vastgesteld, gezien de overschrijding van de in de vergunning vermelde hoeveelheden en/of waarden van Alaska koolvis en kabeljauwfilet? Daarnaast, is het rechtmatig rente op achterstallen te heffen voor douaneschulden ontstaan vóór 1 mei 2016?

Regel

  • art. 204, lid 1, aanhef en onder b, CDW (onregelmatig gebruik van goederen leidt tot douaneschuld)
  • art. 79, lid 1, aanhef en onder c, DWU (voorwaarden voor toekenning van een nulrecht niet nageleefd)
  • art. 212bis CDW (schorsing van rechten bij invoer onder bepaalde voorwaarden)
  • art. 220, tweede lid, onder b, CDW (vergissing van de douaneautoriteiten)
  • art. 124, lid 1, aanhef en onder h, DWU (verzuim zonder werkelijke gevolgen)
  • art. 114, tweede lid, DWU (rente op achterstallen)

Toepassing

  • art. 204, lid 1, aanhef en onder b, CDW (onregelmatig gebruik van goederen leidt tot douaneschuld) De rechtbank concludeerde dat [X BV] jaarlijks de hoeveelheden Alaska koolvis overschreed zoals vermeld in de vergunning. Daarmee zijn de voorwaarden voor toekenning van een nulrecht niet nageleefd, waardoor een douaneschuld is ontstaan. De overschrijding van de vergunde hoeveelheid leidt tot een douaneschuld, omdat de vergunning niet toereikend was voor de ingevoerde hoeveelheden. De rechtbank stelde vast dat een dergelijke overschrijding niet in lijn is met de wetgeving en dat de douaneschuld terecht is vastgesteld op basis van overschrijdingen van de hoeveelheden. Rechtsoverwegingen: 14, 15.
  • art. 79, lid 1, aanhef en onder c, DWU (voorwaarden voor toekenning van een nulrecht niet nageleefd) Het hof bevestigt dat de overschrijding van de in de vergunning vermelde hoeveelheden en waarden een schending van de voorwaarden inhoudt, wat resulteert in een douaneschuld. De vergunning was niet toereikend voor de overschreden hoeveelheden, wat betekent dat de goederen ten onrechte onder die regeling in het vrije verkeer zijn gebracht. Rechtsoverwegingen: 5.11, 5.12.
  • art. 212bis CDW (schorsing van rechten bij invoer onder bepaalde voorwaarden) Het hof concludeert dat artikel 212bis CDW geen toepassing kan vinden omdat [X BV] niet beschikt over een toereikende vergunning voor de overschreden hoeveelheden. Zonder de vereiste vergunning kan geen aanspraak worden gemaakt op de begunstiging van het contingent. Rechtsoverwegingen: 5.17.
  • art. 220, tweede lid, onder b, CDW (vergissing van de douaneautoriteiten) Het hof oordeelt dat er geen sprake is van een vergissing door de douaneautoriteiten ten aanzien van de utb, omdat het hier gaat om een eerste mededeling van de douaneschulden en niet om een navordering. Rechtsoverwegingen: 5.18.
  • art. 124, lid 1, aanhef en onder h, DWU (verzuim zonder werkelijke gevolgen) Het hof stelt vast dat de overschrijding van de vergunde hoeveelheid en/of waarde niet valt onder de categorie 'verzuim zonder werkelijke gevolgen', aangezien deze situatie niet in de limitatieve lijst van artikel 103 van de GVo en artikel 859 van het TCDW voorkomt. Rechtsoverwegingen: 5.14.
  • art. 114, tweede lid, DWU (rente op achterstallen) Het hof oordeelt dat artikel 114, tweede lid, DWU, dat rente op achterstallen introduceert, ook van toepassing is op douaneschulden die zijn ontstaan vóór 1 mei 2016. Dit omdat er geen specifieke overgangsbepalingen zijn die anders bepalen. Rechtsoverwegingen: 5.23, 5.24.

Conclusie

Het hof oordeelt dat de utb terecht is opgelegd voor de overschrijding van de vergunde hoeveelheden Alaska koolvis, aangezien [X BV] daarmee de voorwaarden van de vergunning heeft geschonden. Daarnaast is het gerechtvaardigd om rente op achterstallen te heffen voor de douaneschulden die zijn ontstaan vóór 1 mei 2016. Het hoger beroep van de inspecteur is gegrond en dat van [X BV] ongegrond, waardoor de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 22-12-2010 [X BV] beschikt over een vergunning bijzondere bestemming voor de verwerking van diverse soorten vis, geldig tot 22-12-2013.
  2. 31-07-2012 De vergunning bijzondere bestemming van [X BV] wordt op verzoek gewijzigd, met verhoogde hoeveelheid en waarde voor Alaska koolvis filet.
  3. 01-11-2013 [X BV] dient een aanvraag in voor een nieuwe vergunning bijzondere bestemming.
  4. 18-12-2013 De nieuwe vergunning bijzondere bestemming wordt verleend aan [X BV], geldig van 22-12-2013 tot 22-12-2016.
  5. 28-09-2014 Douane stuurt een brief aan [X BV] met uitleg over de vergunningvoorwaarden, inclusief waarschuwing voor mogelijke douaneschuld bij niet-naleving.
  6. 08-05-2017 De douane stelt een controlerapport op waarin wordt vastgesteld dat [X BV] de vergunde hoeveelheden van Alaska koolvis en kabeljauw heeft overschreden.
  7. 19-05-2017 Er wordt een uitnodiging tot betaling (UTB) uitgereikt aan [X BV] voor € 278.963,31 aan douanerechten en € 5.400,29 aan rente op achterstallen.
  8. 28-11-2017 Het bezwaar van [X BV] tegen de UTB wordt ongegrond verklaard door de inspecteur.
  9. 01-04-2021 De rechtbank verklaart het beroep van [X BV] gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar en vermindert de UTB.
  10. 17-05-2021 De inspecteur dient hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank.
  11. 18-05-2021 [X BV] dient hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank.
  12. 18-11-2022 [X BV] dient nadere stukken in bij het Gerechtshof Amsterdam.