Medeplegen van invoer cocaïne bewezen ondanks ontbreken van fysieke vondst.
Onderzoek Tanybryn. Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 maanden voor het medeplegen van de invoer van cocaïne via Schiphol.
Rechtsvraag
De centrale rechtsvraag in deze zaak is of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de invoer van een onbekende hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne binnen het grondgebied van Nederland op een wijze zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet.
Regel
- art. 404 lid 5, Wetboek van Strafvordering (geen hoger beroep mogelijk tegen vrijspraak)
- art. 2 onder A, Opiumwet (verbod op de invoer van middelen genoemd op lijst I)
- art. 10 lid 4 en 5, Opiumwet (verbod op voorbereidings- en bevorderingshandelingen voor invoer van middelen genoemd op lijst I)
- art. 47, Wetboek van Strafrecht (medeplegen van strafbare feiten)
- art. 6 lid 1, EVRM (recht op berechting binnen een redelijke termijn)
Toepassing
- art. 404 lid 5, Wetboek van Strafvordering (geen hoger beroep mogelijk tegen vrijspraak) De verdachte had hoger beroep ingesteld tegen de vrijspraak door de rechtbank inzake de invoer van cocaïne in een doos. De advocaat-generaal en de verdediging stelden dat hoger beroep tegen deze vrijspraak niet mogelijk was. Het hof oordeelde dat, conform artikel 404 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering, hoger beroep tegen deze vrijspraak niet openstaat en verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in dit deel van het hoger beroep.
- art. 2 onder A, Opiumwet (verbod op de invoer van middelen genoemd op lijst I) De verdachte werd beschuldigd van het medeplegen van de invoer van een onbekende hoeveelheid cocaïne. De verdachte en medeverdachte hadden heimelijk een koffer, afkomstig uit Mexico, buiten het beveiligde gebied van de luchthaven Schiphol gebracht. Het hof oordeelde dat de heimelijke wijze van handelen en het hoge bedrag (€ 37.500) dat hiermee gemoeid was, voldoende bewijs leverden dat de koffer cocaïne bevatte. Dit werd ondersteund door het feit dat Mexico een doorvoerland voor cocaïne is en de medeverdachte eerder betrokken was bij soortgelijke invoer van cocaïne.
- art. 10 lid 4 en 5, Opiumwet (verbod op voorbereidings- en bevorderingshandelingen voor invoer van middelen genoemd op lijst I) De verdachte en medeverdachte hadden diverse handelingen verricht om de koffer met cocaïne buiten het beveiligde deel van de luchthaven te brengen. Dit omvatte het coördineren en uitvoeren van de overdracht van de koffer. Het hof concludeerde dat deze handelingen vielen onder de voorbereidings- en bevorderingshandelingen zoals bedoeld in artikel 10 lid 4 en 5 van de Opiumwet.
- art. 47, Wetboek van Strafrecht (medeplegen van strafbare feiten) Het hof achtte bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachte actief betrokken was bij de invoer van cocaïne. De verdachte nam initiatieven en coördineerde met de medeverdachte om de koffer met cocaïne buiten het beveiligde gebied van Schiphol te brengen. Hierdoor werd het medeplegen van de invoer van cocaïne bewezen geacht.
- art. 6 lid 1, EVRM (recht op berechting binnen een redelijke termijn) Het hof oordeelde dat de redelijke termijn van berechting was overschreden. De behandeling in eerste aanleg duurde bijna 36 maanden, terwijl de redelijke termijn 24 maanden is. Hierdoor werd de straf gematigd van 24 maanden naar 22 maanden gevangenisstraf.
Conclusie
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de invoer van een onbekende hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 maanden, waarbij rekening werd gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
Partijen en standpunten
- Eiser: Openbaar Ministerie
- Gedaagde: Verdachte
De verdachte wordt beschuldigd van de invoer en/of voorbereidings-/bevorderingshandelingen met betrekking tot de invoer van een onbekende hoeveelheid cocaïne, zowel in een doos als in een koffer, zoals genoemd op de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De verdediging stelt dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat er geen daadwerkelijke hoeveelheid cocaïne is aangetroffen of in beslag genomen. Er is geen sprake van een modus operandi zoals in andere zaken en de verdachte had geen eerdere betrokkenheid bij de genoemde handelingen. De inhoud van de koffer kan ook iets anders dan cocaïne zijn geweest, bijvoorbeeld reptielen.
Wetsartikelen
Tijdlijn
- 28-08-2017 De verdachte en medeverdachte halen een koffer met cocaïne uit een vliegtuig afkomstig uit Mexico op Schiphol en brengen deze heimelijk buiten het beveiligde gebied. De verdachte en medeverdachte voeren meerdere telefoongesprekken over de logistiek en betaling voor deze operatie.
- 10-01-2018 De verdachte wordt voor de eerste keer als verdachte gehoord in het onderzoek Tanybryn.
- 09-12-2020 De rechtbank Noord-Holland spreekt de verdachte vrij van de invoer en voorbereidings-/bevorderingshandelingen betreffende de invoer van cocaïne in een doos, maar veroordeelt hem voor de invoer van cocaïne in een koffer.
- Onbekend De verdachte stelt hoger beroep in tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland.
- 06-10-2022 Het gerechtshof Amsterdam behandelt de zaak in hoger beroep op 6, 10 en 14 oktober 2022.
- 10-10-2022 Het gerechtshof Amsterdam behandelt de zaak in hoger beroep op 6, 10 en 14 oktober 2022.
- 14-10-2022 Het gerechtshof Amsterdam behandelt de zaak in hoger beroep op 6, 10 en 14 oktober 2022.
- 04-11-2022 Het gerechtshof Amsterdam vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Holland en komt tot een andere beslissing. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 maanden voor het medeplegen van de invoer van cocaïne. De verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover gericht tegen de vrijspraak ten aanzien van de invoer en voorbereidings-/bevorderingshandelingen betreffende de invoer van cocaïne in een doos.