Eigenaren mogen perceel naar eigen goeddunken inrichten tenzij zwaarwegende rechtvaardigingsgronden anders vereisen.

Gerechtshof Amsterdam · 10 mei 2022 · Hoger beroep · Civiel recht

Burenrecht. Uitleg akte van vestiging erfdienstbaarheid. Bij akte uitlaten over beroep op (verkrijgende) verjaring van diezelfde erfdienstbaarheid. Beperking van uitzicht op rivier door hoge beplanting is geen onrechtmatige hinder. Geen redelijk belang bij vordering tot plaatsing van andere erfafscheiding, nadat is ingestemd met de geplaatste, zij het in de onjuiste veronderstelling dat de erfafscheiding op het eigen terrein van de buurman stond. Wetsartikelen 5:72 en73 BW, 5:37, 5:48 BW.

Rechtsvraag

De centrale juridische vraag is of geïntimeerde sub1 c.s. onrechtmatig hebben gehandeld jegens appellant sub1 c.s. door de inrichting van hun perceel, met name door het plaatsen van hoge beplanting en erfafscheidingen, en of de erfdienstbaarheid van overpad correct is toegepast.

Regel

  • Artikel 5:37 BW (Burenrecht - Onrechtmatige hinder)
  • Artikel 6:162 BW (Onrechtmatige daad - Algemeen)
  • Bestemmingsplan [A-straat] (Regels omtrent bebouwing en openheid van het gebied)
  • Artikel 5:50 BW (Erfdienstbaarheden - Overpad)
  • Artikel 3:105 BW (Verjaring)
  • Artikel 6:2 BW (Redelijkheid en billijkheid)

Toepassing

  • Artikel 5:37 BW (Burenrecht - Onrechtmatige hinder) De rechter oordeelt dat de aanwezigheid van hoge beplanting op het perceel van geïntimeerde sub1 c.s. niet onrechtmatig is jegens appellant sub1 c.s. Het belang van appellant sub1 c.s. in een vrij uitzicht is niet zwaarwegend genoeg om de beplanting als onrechtmatig te beschouwen. Geïntimeerde sub1 c.s. hebben een gevoel van privacy en veiligheid dat niet ongegrond is. De aanwezigheid van de beplanting beperkt het uitzicht van appellant sub1 c.s., maar dit is niet onrechtmatig omdat er nog steeds uitzicht over de rivier is. (Rechtsoverwegingen 3.9, 3.13, 3.14)
  • Artikel 6:162 BW (Onrechtmatige daad - Algemeen) De rechter volgt de criteria voor onrechtmatige hinder, waarbij de aard, ernst, duur van de hinder en de toegebrachte schade worden beoordeeld. Het belang van geïntimeerde sub1 c.s. bij privacy en veiligheid weegt zwaarder dan het uitzicht van appellant sub1 c.s. (Rechtsoverwegingen 3.12, 3.13, 3.14)
  • Bestemmingsplan [A-straat] (Regels omtrent bebouwing en openheid van het gebied) Er is geen strijd met het bestemmingsplan. Hoewel hoge beplanting een inbreuk kan betekenen op de openheid van het gebied, is dit niet voldoende om van strijdigheid te spreken. De beplanting valt niet onder de term 'hoge erfafscheidingen' zoals genoemd in het bestemmingsplan. (Rechtsoverwegingen 3.10, 3.11)
  • Artikel 5:50 BW (Erfdienstbaarheden - Overpad) De erfdienstbaarheid van overpad is niet ten behoeve van het perceel van geïntimeerde sub1 c.s. gevestigd. De akte van 31 augustus 2001 verwijst naar de akte van 11 maart 1999, maar tussen de percelen van partijen is geen erfdienstbaarheid gevestigd. Grief VI is in zoverre terecht. (Rechtsoverwegingen 3.6, 3.7)
  • Artikel 3:105 BW (Verjaring) De verjaring is nog niet voldoende behandeld. Het hof geeft geïntimeerde sub1 c.s. de gelegenheid hun standpunt over verjaring nader toe te lichten. (Rechtsoverweging 3.8)
  • Artikel 6:2 BW (Redelijkheid en billijkheid) De redelijkheid en billijkheid vereisen geen verplaatsing van de erfafscheiding naar het eigen perceel van geïntimeerde sub1 c.s. Appellant sub1 c.s. hebben destijds ingestemd met de erfafscheiding en hebben geen redelijk belang bij hun vordering tot verplaatsing. (Rechtsoverwegingen 3.15, 3.16)

Conclusie

Het hof concludeert dat geïntimeerde sub1 c.s. niet onrechtmatig hebben gehandeld jegens appellant sub1 c.s. door de inrichting van hun perceel. De vorderingen van appellant sub1 c.s. zijn terecht afgewezen. De erfdienstbaarheid van overpad is niet van toepassing op het perceel van geïntimeerde sub1 c.s., maar de kwestie van verjaring is nog niet volledig behandeld en verdere beslissingen worden aangehouden.

Partijen en standpunten

  • Eiser: [appellant sub 1] en [appellant sub 2]
  • Gedaagde: [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2]

Eisers vorderen verwijdering en aanpassing van diverse erfafscheidingen en beplantingen wegens inbreuk op uitzicht en vermeende onrechtmatige hinder.

Gedaagden stellen dat hun bouwwerken en beplantingen niet onrechtmatig zijn en beroepen zich op erfdienstbaarheid en verjaring.

Tijdlijn

  1. 09-12-2015 [geïntimeerde sub 1] c.s. worden eigenaar van het woonhuis met grond aan de [A-straat] 2 te [plaats A].
  2. 01-12-2016 [appellant sub 1] c.s. worden eigenaar van het woonhuis met grond aan de [A-straat] 3 te [plaats A].
  3. 31-08-2001 Eigendom van perceel met molenaarswoning en water aan de [A-straat] 2 te [plaats A] wordt overgedragen met bijzondere bedingen en kettingbeding.
  4. 11-03-1999 Erfdienstbaarheid van overpad om te komen van en te gaan met een vaartuig over het water wordt gevestigd tussen percelen 2854 en percelen 2855/2856.
  5. 12-10-2016 Omgevingsvergunning voor interne verbouwing en uitbreiding woning verleend aan [geïntimeerde sub 1] c.s.
  6. 02-2017 [geïntimeerde sub 1] verwijdert oude hek en houten schutting en plaatst een rasterhek met klimop tussen de erven van partijen.
  7. 27-02-2017 Gemeente [plaats A] inspecteert de situatie op verzoek van [appellant sub 1] c.s. met betrekking tot erfafscheidingen.
  8. 05-03-2017 [appellant sub 1] c.s. wijzen gemeente op inbreuken bestemmingsplan door [geïntimeerde sub 1] c.s. en verzoeken om handhaving.
  9. 30-05-2017 Gemeente meet percelen van partijen opnieuw in; schutting staat op perceelgrens.
  10. 02-11-2017 Gemeente informeert [geïntimeerde sub 1] c.s. dat de erfafscheiding 20 cm te hoog is en moet worden verlaagd.
  11. 25-01-2018 Advocaat van [appellant sub 1] c.s. maakt bezwaar tegen schutting en doet voorstel voor nieuwe schutting.
  12. 02-02-2018 [geïntimeerde sub 1] c.s. stellen dat er destijds geen bezwaar was tegen de schutting.