Een enquĂȘte kan niet worden gelast zonder gegronde redenen voor twijfel aan juist beleid of gang van zaken.
OK; Enquete; niet-ontvankelijkheid; geen gronden voor twijfel aan juist beleid en gang van zaken; afwijzing verzoek; 2:345 lid 1, 346 lid 1 sub a, 349a lid 2 BW
Rechtsvraag
Zijn er gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van [B] c.s. die een enquĂȘte rechtvaardigen, en dienen er onmiddellijke voorzieningen te worden getroffen?
Regel
- art. 2:344 BW (Definitie van Ondernemingskamerbevoegdheid)
- art. 2:345 BW (Verzoek tot enquĂȘte bij de Ondernemingskamer)
- art. 2:346 BW (Gronden voor enquĂȘteverzoek)
Toepassing
- art. 2:344 BW (Definitie van Ondernemingskamerbevoegdheid) De Ondernemingskamer oordeelt dat [E] geen onderneming in stand houdt als bedoeld in artikel 2:344 aanhef en sub b BW, en verklaart [A] niet-ontvankelijk voor zover het verzoek zich richt tegen [E].
- art. 2:345 BW (Verzoek tot enquĂȘte bij de Ondernemingskamer) De Ondernemingskamer beoordeelt of er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij [B] c.s., en oordeelt dat er geen impasse is in het bestuur of de algemene vergadering van [B] c.s. Zij oordeelt dat de besluiten van 11 juli 2016 niet rechtsgeldig waren en dat [F], [G] en [I] nog steeds het bestuur vormen.
- art. 2:346 BW (Gronden voor enquĂȘteverzoek) De Ondernemingskamer ziet geen reden voor discontinuĂŻteit of wanbeleid bij [B] c.s. en acht de informatievoorziening aan [A] voldoende. Er is geen sprake van een zodanige negatieve invloed van persoonlijke verhoudingen op [B] c.s. dat een enquĂȘte gerechtvaardigd is.
Conclusie
Het verzoek van [A] tot het gelasten van een enquĂȘte en het treffen van onmiddellijke voorzieningen wordt afgewezen. De Ondernemingskamer oordeelt dat er geen gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij [B] c.s. [A] wordt in de kosten van het geding veroordeeld.
Partijen en standpunten
- Eiser: [A]
- Gedaagde: [B], [C], [D], [E]
[A] verzocht om een enquĂȘte naar het beleid en de gang van zaken van [B] c.s. sinds 1 augustus 2015 en om onmiddellijke voorzieningen, waaronder de benoeming van een tijdelijk bestuurder met beslissingsbevoegdheid.
[B] c.s. betwistte de noodzaak van een enquĂȘte en vroeg bij voorwaardelijk tegenverzoek om uitbreiding van de onderzoeksperiode en schorsing van [K] en [L] als bestuurders.
Wetsartikelen
Tijdlijn
- 01-08-2015 Het verzoekschrift van [A] richt zich op de periode vanaf 1 augustus 2015 voor een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van [B] c.s.
- 01-11-2015 [A] treedt terug als bestuurder van [B] en algemeen directeur van [C].
- 27-05-2016 [G], [H], [I] en [J] houden ieder 17,5% van de certificaten van [E].
- 11-07-2016 Tijdens een bestuursvergadering van [E] ontstaat onenigheid. [A] besluit tot schorsing van het bestuur van [B] en benoemt [K] en [L] als 'interim bestuurders'.
- 01-09-2016 De fiscalist van [A] stelt vragen over de geconsolideerde concept jaarrekening 2015 van [B].
- 19-09-2016 De accountant van [B] stuurt de opgevraagde stukken met betrekking tot de concept jaarrekening 2015 toe aan de fiscalist van [A].
- 11-01-2018 [F], [G] en [I] beleggen een nieuwe bestuursvergadering van [E] en aandeelhoudersvergadering van [B] nadat [A] niet verscheen op de vorige vergadering.
- 22-01-2018 [A] laat verstek gaan bij de bestuursvergadering van [E].
- 29-01-2018 Tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van [B] wordt de jaarrekening 2016 vastgesteld.
- 17-04-2018 [A] dient een verzoekschrift in bij de Ondernemingskamer met verzoek tot onderzoek naar het beleid van [B] c.s. en onmiddellijke voorzieningen.
- 30-05-2018 [B] c.s. en [F] c.s. dienen een verweerschrift in en vragen om uitbreiding van de onderzoeksperiode indien het verzoek wordt toegewezen.
- 21-06-2018 De verzoeken worden behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer.