Bijzondere omstandigheden rechtvaardigen geen afwijking van berekeningswijze NOW-2 bij lagere loonsom.

Centrale Raad van Beroep · 13 maart 2025 · Hoger beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

NOW-2. Definitieve vaststelling subsidiebedrag tegemoetkoming loonkosten. Gedeeltelijke terugvordering voorschot. De loonsom in de periode juni tot en met september 2020 is lager dan de loonsom over de referentiemaand (maart 2020). De gewijzigde aandeelhoudersstructuur geeft geen aanleiding om af te wijken van de standaardberekening.

Rechtsvraag

Heeft de minister terecht de subsidie op grond van de NOW-2 verlaagd en een deel van het voorschot teruggevorderd vanwege een lagere loonsom in vergelijking met de referentiemaand, ondanks de bijzondere omstandigheden aangevoerd door appellante?

Regel

  • Artikel 8, NOW-2 (berekeningswijze subsidie op basis van loonsom en omzetdaling)
  • Artikel 4:46, tweede lid, Awb (discretionaire bevoegdheid tot lagere vaststelling subsidie en belangenafweging)
  • Artikel 3:4, tweede lid, Awb (onevenredigheidstoets in belangenafweging bij besluiten)

Toepassing

  • Artikel 8, NOW-2 (berekeningswijze subsidie op basis van loonsom en omzetdaling) De minister heeft de subsidie berekend volgens de formule van artikel 8 van de NOW-2. De loonsom over juni-september 2020 was lager dan viermaal de referentieloonsom van maart 2020, waardoor de subsidie werd verlaagd. De rechtbank en de Raad bevestigen dat de minister correct heeft gehandeld volgens deze dwingende berekeningswijze. De lager uitgevallen loonsom werd niet beïnvloed door omzetverlies door COVID-19, maar door de bedrijfseconomische keuze van de aandeelhouder, wat geen reden was om van de berekeningswijze af te wijken. (Rechtsoverweging 4.2, 4.3)
  • Artikel 4:46, tweede lid, Awb (discretionaire bevoegdheid tot lagere vaststelling subsidie en belangenafweging) De minister heeft de subsidie lager vastgesteld dan de initiële verlening vanwege een lagere loonsom, wat in overeenstemming is met de discretionaire bevoegdheid onder artikel 4:46, tweede lid, Awb. De minister heeft een belangenafweging gemaakt, waarbij het belang van behoud van werkgelegenheid zwaarder woog dan de financiële nadelen voor appellante. De Raad oordeelde dat de minister correct gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid. (Rechtsoverweging 4.2, 4.3)
  • Artikel 3:4, tweede lid, Awb (onevenredigheidstoets in belangenafweging bij besluiten) De rechtbank en de Raad hebben geoordeeld dat de nadelige gevolgen van de lagere subsidie voor appellante niet onevenredig zijn ten opzichte van het doel van het besluit, namelijk behoud van werkgelegenheid. Het feit dat de aandeelhouder meerderheidsaandeelhouder werd en de loonsom daalde, was niet een gevolg van COVID-19, maar een normale ondernemersrisico. De Raad vond dat er geen sprake was van onevenredigheid in de toepassing van artikel 8 van de NOW-2. (Rechtsoverweging 4.3)

Conclusie

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de minister terecht de subsidie op grond van de NOW-2 heeft verlaagd en een deel van het voorschot heeft teruggevorderd. Er waren geen bijzondere omstandigheden die afwijken van de berekeningswijze van artikel 8 van de NOW-2 rechtvaardigden. De financieel nadelige gevolgen voor appellante werden niet als onevenredig beschouwd ten opzichte van het doel van de subsidie, namelijk behoud van werkgelegenheid.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 09-07-2020 Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de NOW-2 voor de maanden juli tot en met oktober 2020, met een verwacht omzetverlies van 40%.
  2. 14-07-2020 De minister verleent appellante een tegemoetkoming in de loonkosten van €104.427,-, waarvan €83.540,- als voorschot wordt uitbetaald.
  3. 05-06-2020 Aandeelhouder heeft via zijn persoonlijke holding een vaststellingsovereenkomst gesloten met de curator uit het faillissement van een andere aandeelhouder, waardoor hij meerderheidsaandeelhouder van appellante is geworden.
  4. 30-03-2022 Appellante vraagt de definitieve berekening van de tegemoetkoming op grond van de NOW-2 aan, met een gemeld omzetverlies van 25%.
  5. 17-05-2022 De minister stelt de definitieve tegemoetkoming op €30.109,- vast en vordert €53.431,- terug van appellante vanwege een lagere loonsom in vergelijking met de referentiemaand.
  6. 18-07-2022 De minister verklaart het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 mei 2022 ongegrond, met de stelling dat de lagere loonsom in de subsidieperiode gevolgen heeft voor de definitieve tegemoetkoming.
  7. 20-04-2023 De rechtbank verklaart het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond en bepaalt een vergoeding voor de proceskosten.
  8. 12-12-2024 Het onderzoek ter zitting bij de Centrale Raad van Beroep vindt plaats, waarbij gemachtigde van appellante en vertegenwoordiger van de minister aanwezig zijn.
  9. 06-03-2025 De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover deze is aangevochten, met de conclusie dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om af te wijken van de berekeningswijze van de NOW-2.