Onbetaald verlof vereist instemming werkgever voor referte-eis WW-uitkering.

Centrale Raad van Beroep · 11 juli 2024 · Hoger beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Weigering WW-uitkering toe te kennen. Appellant voldoet niet aan de referte-eis omdat hij in de referteperiode van 36 kalenderweken voorafgaand aan 1 december 2021 niet in ten minste 26 kalenderweken heeft gewerkt.

Rechtsvraag

De centrale juridische vraag is of het Uwv de WW-uitkering van appellant terecht heeft geweigerd per 1 december 2021 op grond van het niet voldoen aan de referte-eis.

Regel

  • art. 17, WW (recht op uitkering indien werknemer in 36 kalenderweken voorafgaand aan de werkloosheid in ten minste 26 kalenderweken heeft gewerkt)
  • art. 17a, lid 1, onder e, WW (kalenderweken waarin de werknemer wegens onbetaald verlof geen arbeid heeft verricht worden niet meegeteld, tot een maximum van 78 weken)
  • art. 1, aanhef en onder g, WW (definitie van onbetaald verlof als tussen werkgever en werknemer overeengekomen verlof waarin geen arbeid wordt verricht)

Toepassing

  • art. 17, WW (recht op uitkering indien werknemer in 36 kalenderweken voorafgaand aan de werkloosheid in ten minste 26 kalenderweken heeft gewerkt) Appellant voldeed niet aan de referte-eis, omdat hij in de referteperiode van 36 kalenderweken voorafgaand aan 1 december 2021 niet in ten minste 26 kalenderweken heeft gewerkt. Appellant heeft van 5 juli 2021 tot 1 december 2021 niet gewerkt en geen loon ontvangen. De rechtbank en de Raad oordeelden dat de reden voor het niet werken was gelegen in het ontslag op staande voet, niet in onbetaald verlof. (Rechtsoverwegingen 4.1.1, 4.4)
  • art. 17a, lid 1, onder e, WW (kalenderweken waarin de werknemer wegens onbetaald verlof geen arbeid heeft verricht worden niet meegeteld, tot een maximum van 78 weken) De rechtbank en de Raad oordeelden dat artikel 17a, lid 1, restrictief moet worden uitgelegd en dat appellant niet heeft aangetoond dat er sprake was van onbetaald verlof, omdat er geen instemming van de werkgever was voor onbetaald verlof. Het proces-verbaal van de schikking toonde niet aan dat onbetaald verlof was overeengekomen. (Rechtsoverwegingen 2, 4.2, 4.4)
  • art. 1, aanhef en onder g, WW (definitie van onbetaald verlof als tussen werkgever en werknemer overeengekomen verlof waarin geen arbeid wordt verricht) De rechtbank en de Raad concludeerden dat er geen bewijs was dat de werkgever instemde met onbetaald verlof. Het proces-verbaal van de schikking wees alleen op een beëindiging van het dienstverband met wederzijds goedvinden, niet op een overeengekomen periode van onbetaald verlof. (Rechtsoverwegingen 2, 4.4)

Conclusie

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank dat het Uwv terecht de WW-uitkering per 1 december 2021 heeft geweigerd, omdat appellant niet voldeed aan de referte-eis en er geen sprake was van onbetaald verlof dat de referteperiode zou kunnen verlengen.

Partijen en standpunten

  • Eiser: [Appellant]
  • Gedaagde: Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Appellant claimt recht te hebben op een WW-uitkering per 1 december 2021 omdat de referteperiode moet worden voorverlengd vanwege onbetaald verlof van 5 juli 2021 tot 1 december 2021.

Het Uwv stelt dat appellant niet voldoet aan de referte-eis omdat hij niet in de vereiste aantal weken heeft gewerkt of loon heeft ontvangen, en dat er geen sprake is van onbetaald verlof.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 03-07-2021 Appellant is werkzaam geweest bij [werkgever V.O.F.] en is op staande voet ontslagen.
  2. 16-07-2021 Uwv kent appellant per 4 juli 2021 een WW-uitkering toe, maar deze komt niet tot uitbetaling wegens verwijtbare werkloosheid.
  3. [16-07-2021] Appellant maakt bezwaar tegen het besluit van het Uwv om geen uitkering uit te betalen.
  4. [16-07-2021] In een procedure bij de kantonrechter komen appellant en werkgever tot een schikking; het dienstverband wordt met wederzijds goedvinden beëindigd per 1 december 2021.
  5. 26-01-2022 Uwv informeert appellant dat hij per 5 juli 2021 niet meer verwijtbaar werkloos is, maar dat hij per 1 december 2021 geen recht heeft op een WW-uitkering vanwege het niet voldoen aan de referte-eis.
  6. 17-02-2022 Uwv wijst de WW-aanvraag van appellant af omdat hij niet voldoet aan de referte-eis. Appellant stelt beroep in.
  7. 14-06-2023 Rechtbank verklaart het beroep van appellant tegen het besluit van het Uwv ongegrond.
  8. [14-06-2023] Appellant stelt hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag.
  9. 18-04-2024 Onderzoek ter zitting vindt plaats, waarbij namens appellant mr. Van Wegen verschijnt en het Uwv wordt vertegenwoordigd door mr. J.J. Grasmeijer.
  10. 11-07-2024 Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank dat het Uwv terecht de WW-uitkering heeft geweigerd.