Arbeidsovereenkomst vereist gezagsverhouding en loonverplichting, ook bij onregelmatige betalingen.
Sprake van arbeid en gezagsverhouding. Werkgeefster heeft een aantal kleine bedragen aan appellant betaald voor de werkzaamheden die hij heeft verricht, op onregelmatige basis en tot een veel lager bedrag dan waarop appellant recht had. Sprake geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en appellant is werknemer in de zin van de WW. Er zal uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW worden toegekend. Opdracht nieuw besluit. Proceskosten.
Rechtsvraag
Moet appellant worden aangemerkt als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet (WW) en heeft hij recht op een faillissementsuitkering?
Regel
- art. 3, lid 1, WW (definitie van werknemer als iemand in privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking)
- art. 61 WW (recht op uitkering bij blijvende toestand van betalingsonmacht werkgever)
- art. 7:610 BW (definitie van arbeidsovereenkomst als overeenkomst waarbij een werknemer tegen loon gedurende zekere tijd arbeid verricht)
Toepassing
- art. 3, lid 1, WW (definitie van werknemer als iemand in privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking) De Raad oordeelt dat appellant als werknemer moet worden aangemerkt omdat er sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Appellant verrichtte arbeid en stond onder gezag van werkgeefster. Ondanks dat hij slechts een deel van zijn salaris ontving, was er een verplichting tot loonbetaling. De arbeidsovereenkomst en de betalingen die wel zijn gedaan, bevestigen deze verplichting. De omstandigheden in hun geheel wijzen op een dienstbetrekking.
- art. 61 WW (recht op uitkering bij blijvende toestand van betalingsonmacht werkgever) Aangezien appellant als werknemer wordt aangemerkt, heeft hij recht op een uitkering volgens hoofdstuk IV van de WW. Het Uwv heeft erkend dat als deze weigeringsgrond komt te vervallen, appellant recht heeft op de uitkering.
- art. 7:610 BW (definitie van arbeidsovereenkomst als overeenkomst waarbij een werknemer tegen loon gedurende zekere tijd arbeid verricht) De arbeidsovereenkomst tussen appellant en werkgeefster, hoewel niet volledig nagekomen qua loon, voldoet aan de wettelijke omschrijving. Appellant verrichtte arbeid onder gezag en ontving betalingen, hetgeen voldoende is om te spreken van een arbeidsovereenkomst.
Conclusie
Appellant moet worden aangemerkt als werknemer in de zin van de WW en heeft daarom recht op een faillissementsuitkering. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het Uwv moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Partijen en standpunten
- Eiser: [appellant]
- Gedaagde: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Appellant stelt dat hij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gewerkt en daarom recht heeft op een faillissementsuitkering volgens de WW, ondanks de onregelmatige salarisbetalingen.
Het Uwv stelt dat er geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking vanwege de overheersende familierelatie en de onregelmatige loonbetalingen.
Wetsartikelen
- art. 3 lid 1 WW
- art. 7:12 lid 1 Awb
- art. 61 WW
- art. 7:7:610 BW
- art. 8:113 lid 2 Awb
Tijdlijn
- 05-08-2019 Appellant begint met het verrichten van werkzaamheden voor [naam B.V.] met als handelsnaam [werkgeefster], een bemiddelaar in huur/verhuur van onroerend goed. De zwager van appellant is de directeur van werkgeefster en de zwager en de zus van appellant zijn gezamenlijk de aandeelhouders van werkgeefster.
- 03-01-2020 Appellant ondertekent een arbeidsovereenkomst met werkgeefster, waarin staat dat hij per 6 januari 2020 in dienst treedt als consultant/verhuurmakelaar voor 40 uur per week tegen een salaris van β¬ 2.000,- bruto per maand.
- 29-04-2020 Werkgeefster wordt door de rechtbank Amsterdam in staat van faillissement verklaard.
- 04-05-2020 De curator zegt de arbeidsovereenkomst met appellant op.
- 11-05-2020 Appellant verzoekt bij het Uwv om met toepassing van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) de betalingsverplichtingen van werkgeefster wegens betalingsonmacht over te nemen.
- 01-10-2020 Appellant wordt gehoord door het Uwv als onderdeel van een onderzoek naar zijn verzekeringsplicht. De resultaten worden neergelegd in een onderzoeksrapport van 3 november 2020.
- 09-11-2020 Het Uwv wijst de aanvraag van appellant om een faillissementsuitkering af op grond van het ontbreken van een gezagsverhouding en loonbetalingen.
- 03-05-2021 Het Uwv verklaart het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 november 2020 ongegrond, met als reden dat de arbeidsverhouding werd overheerst door de familierelatie en er geen gebruikelijke loonbetalingen plaatsvonden.
- 24-11-2021 De rechtbank verklaart het beroep van appellant tegen het besluit van 3 mei 2021 ongegrond, oordelend dat er geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
- 28-06-2023 Het onderzoek ter zitting bij de Centrale Raad van Beroep vindt plaats. Appellant verschijnt bijgestaan door zijn advocaat, mr. E.M.F. Opering.
- 09-08-2023 De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam en het besluit van het Uwv van 3 mei 2021. De Raad oordeelt dat appellant als werknemer moet worden aangemerkt en dat het Uwv een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van appellant.