Onrechtmatig huisbezoek zonder 'informed consent' leidt tot uitsluiting bewijs voor periode vóór huisbezoek.

Centrale Raad van Beroep · 10 mei 2022 · Hoger beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Intrekking en terugvordering van bijstand. Gezamenlijke huishouding. Onrechtmatig huisbezoek. Ontbreken informed consent. Niet is komen vast te staan dat het huisbezoek op ‘informed consent’ berust. Er is inbreuk gemaakt op het huisrecht van appellante als bedoeld in artikel 8 EVRM. Het onrechtmatig verkregen bewijs is slechts dan niet toegestaan indien de bewijsmiddelen zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Het onrechtmatig verkregen bewijs mag niet worden betrokken in de beoordeling van de periode voorafgaand aan het huisbezoek. De bevindingen van het huisbezoek kunnen in beginsel wel bij de beoordeling van het recht op bijstand vanaf de datum van het huisbezoek worden betrokken. Er zijn geen aanknopingspunten op grond waarvan in dit geval van dit uitgangspunt zou moeten worden afgeweken.

Rechtsvraag

Heeft het college terecht de bijstand van appellante ingetrokken en de gemaakte kosten teruggevorderd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met X vanaf [datum] 2016?

Regel

  • art. 3, vierde lid, aanhef en onder b, Participatiewet (PW) (gezamenlijke huishouding)
  • art. 8, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) (recht op respect voor privéleven en woning)
  • art. 7:12, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) (motivering van besluiten)

Toepassing

  • art. 3, vierde lid, aanhef en onder b, Participatiewet (PW) (gezamenlijke huishouding) De Raad overweegt dat vaststaat dat uit de relatie tussen appellante en X een kind is geboren. Daarom is bepalend of zij in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. De onderzoeksbevindingen bieden voldoende steun voor het standpunt van het college dat X vanaf 21 februari 2018 zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. X verklaarde tijdens het huisbezoek dat hij daar sinds vrijdag verbleef en dat hij een sleutel van de woning had. In de woning werden meerdere persoonlijke spullen van X aangetroffen, wat wijst op een gezamenlijke huishouding.
  • art. 8, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) (recht op respect voor privéleven en woning) De Raad oordeelt dat het huisbezoek op 21 februari 2018 niet op 'informed consent' berustte, omdat het rapport geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de toestemming op basis van volledige en juiste informatie is verstrekt. Dit betekent dat een inbreuk is gemaakt op het huisrecht van appellante. De bevindingen van het huisbezoek mogen alleen worden gebruikt bij de beoordeling van de periode vanaf 21 februari 2018 en niet daarvoor.
  • art. 7:12, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) (motivering van besluiten) De Raad concludeert dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust, voor zover het betrekking heeft op de intrekking van bijstand over de periode van [datum] 2016 tot en met 20 februari 2018, omdat de overige onderzoeksbevindingen onvoldoende grondslag bieden voor de conclusie dat appellante en X in die periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

Conclusie

De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak en het besluit van 5 december 2018 voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van bijstand over de periode van [datum] 2016 tot en met 20 februari 2018 en de terugvordering. De Raad herroept het besluit van 14 maart 2018 voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van bijstand over de periode van [datum] 2016 tot en met 20 februari 2018 en de terugvordering, en veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 4.118,-.

Partijen en standpunten

  • Eiser: [appellante]
  • Gedaagde: het college van burgemeester en wethouders van Groningen

Appellante betwist de intrekking van haar bijstandsuitkering en de terugvordering van € 18.441,26. Zij stelt dat het huisbezoek op 21 februari 2018 onrechtmatig was en niet op 'informed consent' berustte.

Het college stelt dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van een gezamenlijke huishouding met X vanaf [datum] 2016, en baseert dit op onderzoeksresultaten, waaronder een huisbezoek.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 08-01-2016 Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande en stond ingeschreven op adres A.
  2. [datum] 2016 Appellante beviel van een dochter. X is de vader en erkende het kind.
  3. 2017 Tijdens een Screening Rechtmatigheid 2017 bleek dat appellante een relatie had met X, die de vader is van haar kind.
  4. 20-02-2018 Een buurtbewoner verklaarde dat op het uitkeringsadres een gezin woonde bestaande uit een man, vrouw en een kind.
  5. 21-02-2018 Een onaangekondigd huisbezoek vond plaats op het uitkeringsadres.
  6. 01-03-2018 Een gesprek vond plaats tussen appellante en een medewerker handhaving.
  7. 07-03-2018 De resultaten van het onderzoek werden vastgelegd in een Rapport Afdeling Handhaving.
  8. 14-03-2018 Het college trok de bijstand van appellante met terugwerkende kracht in vanaf [datum] 2016 en vorderde € 18.441,26 terug.
  9. 05-12-2018 Het college verklaarde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 maart 2018 ongegrond.
  10. 28-05-2019 De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het besluit van 5 december 2018 ongegrond.
  11. 01-02-2022 Het onderzoek ter zitting vond plaats. Appellante was aanwezig, bijgestaan door mr. Volkers. Het college was niet vertegenwoordigd.
  12. 10-05-2022 De Centrale Raad van Beroep vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 5 december 2018 gedeeltelijk. Het besluit van 14 maart 2018 werd herroepen voor de periode [datum] 2016 tot en met 20 februari 2018 en de terugvordering. Het college werd veroordeeld in de kosten van appellante.