Wijziging fiscale regelgeving kan pensioenopbouw verminderen ondanks eerdere toezeggingen werkgever.

Centrale Raad van Beroep · 19 november 2020 · Hoger beroep · Bestuursrecht; Ambtenarenrecht

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de verminderde pensioenopbouw, zoals deze voor het eerst met terugwerkende kracht tot 1 januari 2018 is toegepast bij de salarisbetaling van november 2018, in feite het gevolg is van de verhoging van de pensioenrichtleeftijd ingevolge de Wet VAP. Hier is aan de orde een wijziging van regelgeving en een nieuw standpunt van de Belastingdienst over de aard van de RPU, welke van invloed zijn op de hoogte van de af te dragen pensioenpremies en daarmee op de pensioenopbouw van betrokkene na toekenning van de RPU. Nu belanghebbenden er in het algemeen niet op mogen vertrouwen dat de ten tijde van de toekenning geldende regelgeving onverminderd van kracht zal blijven, rust in zo’n situatie op het betrokken bestuursorgaan als regel geen verplichting om compensatie te bieden voor het door de verandering ontstane nadeel. De omstandigheden van het geval kunnen dit anders maken, met name indien sprake is van het door het bestuursorgaan gedane toezeggingen. In dit geval heeft de korpschef in het besluit tot toekenning van de RPU zonder voorbehoud vermeld dat alle aan het salaris gerelateerde aanspraken, zoals bijvoorbeeld pensioenopbouw (en dus ook de te betalen pensioenpremie), gelijk blijven. Naar het oordeel van de Raad is onder die omstandigheden sprake van een aan de korpschef toe te rekenen toezegging waaruit betrokkene redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de deelname aan de RPU niet van invloed zou zijn op de pensioenopbouw en daarmee op de te betalen pensioenpremie. Het belang van betrokkene bij nakoming van deze toezegging moet wel worden afgewogen tegen het algemeen belang. In dit geval moet worden geoordeeld dat de korpschef niet gehouden is om aan de gerechtvaardigde verwachtingen te voldoen. Onder de omstandigheden mocht de korpschef het algemeen belang laten prevaleren boven het belang van appellante om de toezegging na te komen. Het hoger beroep van appellante slaagt niet.

Rechtsvraag

De centrale juridische vraag is of de korpschef gehouden is om te voldoen aan de toezegging dat deelname aan de RPU niet van invloed zou zijn op de pensioenopbouw van de appellante, ondanks de wijziging in de regelgeving en het standpunt van de Belastingdienst.

Regel

  • art. 13a, eerste lid, Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) (Regeling Partieel Uittreden)
  • art. 10a, vierde lid, Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB) (Deeltijdfunctie en pensioenopbouw)
  • Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd (Wet VAP) (Verhoging van de pensioenleeftijd)
  • art. 3.4, eerste lid, Pensioenreglement (Pensioengevend inkomen bij verlof)
  • art. 18a, zesde lid, Wet op de loonbelasting 1964 (Herrekening ouderdomspensioen bij eerdere ingangsdatum)
  • Vertrouwensbeginsel (Toezeggingen en verwachtingen van de overheid)

Toepassing

  • art. 13a, eerste lid, Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) (Regeling Partieel Uittreden) De RPU-regeling biedt de mogelijkheid om de arbeidstijd te verminderen terwijl het salaris formeel 100% blijft, waardoor de pensioenopbouw ongewijzigd zou blijven. Echter, de Belastingdienst en het ABP hebben de regeling anders geïnterpreteerd, wat leidde tot een verminderde pensioenopbouw vanaf 2018.
  • art. 10a, vierde lid, Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB) (Deeltijdfunctie en pensioenopbouw) De Belastingdienst stelt dat de vermindering van de arbeidsduur buiten de 10-jaarstermijn valt, waardoor de pensioenopbouw moet worden aangepast. Dit standpunt is doorgevoerd door het ABP, resulterend in een wijziging van de pensioenopbouw voor appellante.
  • Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd (Wet VAP) (Verhoging van de pensioenleeftijd) De verhoging van de pensioenrichtleeftijd heeft ertoe geleid dat de vermindering van de arbeidsduur buiten de 10-jaarstermijn valt, wat van invloed is op de pensioenopbouw.
  • art. 3.4, eerste lid, Pensioenreglement (Pensioengevend inkomen bij verlof) Het inkomen tijdens verlof wordt geacht gelijk te blijven, tenzij anders bepaald door de belastingwetgeving, wat hier het geval is door de gewijzigde interpretatie van de Belastingdienst.
  • art. 18a, zesde lid, Wet op de loonbelasting 1964 (Herrekening ouderdomspensioen bij eerdere ingangsdatum) De herrekening van het ouderdomspensioen door de Belastingdienst is in lijn met de gewijzigde regelgeving en beïnvloedde de pensioenopbouw van appellante.
  • Vertrouwensbeginsel (Toezeggingen en verwachtingen van de overheid) Appellante stelde dat er gerechtvaardigd vertrouwen was dat de pensioenopbouw ongewijzigd zou blijven. De rechtbank oordeelde dat er geen concrete toezegging was gedaan door de korpschef die als zodanig kon worden gezien, ondanks de vermelding in het RPU-toekenningsbesluit.

Conclusie

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de korpschef niet gehouden is om aan de gerechtvaardigde verwachtingen te voldoen en de wijziging in de pensioenopbouw te compenseren. Het algemeen belang bij het naleven van de belastingwetgeving en het Pensioenreglement weegt zwaarder dan het individuele belang van de appellante. De uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland wordt bevestigd met verbetering van gronden.

Partijen en standpunten

  • Eiser: Appellante
  • Gedaagde: Korpschef van politie

Appellante betoogt dat de korpschef het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat bij deelname aan de RPU de volledige pensioenopbouw was gegarandeerd, en dat zij recht heeft op compensatie voor het nadeel door de verandering van regelgeving.

De korpschef stelt dat hij gebonden is aan het gewijzigde beleidsuitgangspunt van de Belastingdienst en het Pensioenreglement, waardoor er een verminderde pensioenopbouw is vanaf 1 januari 2018, en dat hij geen bevoegdheid heeft om hiervan af te wijken.

Tijdlijn

  1. 01-11-2016 Appellante maakt gebruik van de Regeling Partieel Uittreden (RPU) op basis van artikel 13a, vierde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).
  2. 18-08-2017 De arbeidstijd van appellante is verminderd met vier uur per week volgens de RPU regeling.
  3. 31-12-2017 Contact tussen de Dienst Financiën van de Politie en de Belastingdienst over de fiscale gevolgen van de RPU regeling.
  4. 01-01-2018 Overleg leidt tot besluit dat geen correctie zal plaatsvinden over teveel betaalde premie tot deze datum.
  5. 15-01-2018 Medewerkers van de politie worden geïnformeerd over de mogelijke gevolgen van de uitleg door de Belastingdienst via Intranet.
  6. 05-2018 Deelnemers aan de RPU worden geïnformeerd over de gevolgen voor hun pensioenopbouw en de mogelijkheid om deelname tijdelijk stop te zetten.
  7. 11-2018 Appellante ontvangt bij de salarisspecificatie van november 2018 een toelichting op de wijzigingen in haar salaris met betrekking tot verminderde pensioenopbouw.
  8. 26-03-2019 Besluit dat het bezwaar van appellante tegen de salarisspecificatie ongegrond is verklaard.
  9. 20-11-2019 Rechtbank verklaart het beroep van appellante tegen het besluit van de korpschef ongegrond.
  10. 08-10-2020 Onderzoek ter zitting in hoger beroep vindt plaats, gevoegd met zaak 19/5302 AW.
  11. 19-11-2020 De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland.