Onderscheid op basis van geboorteland bij bijstandsonderzoek is discriminerend zonder zeer zwaarwegende redenen.

Centrale Raad van Beroep · 28 juli 2020 · Hoger beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Intrekken en terugvorderen. Niet gemeld onroerend goed in Turkije. Discriminatoir vermogensonderzoek. Onrechtmatig verkregen bewijs.

Rechtsvraag

Heeft het college bij het intrekken van de bijstand van appellanten gehandeld in strijd met het discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM, en zijn de onderzoeksresultaten onrechtmatig verkregen bewijs?

Regel

  • Art. 14, EVRM (Discriminatieverbod: Het verbiedt discriminatie op welke grond dan ook)
  • Art. 1, Protocol 12, EVRM (Discriminatieverbod: Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie)
  • Art. 53a, PW (Onderzoeksbevoegdheid: Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens)
  • Art. 17, lid 1, PW (Inlichtingenverplichting: De belanghebbende moet aan het college mededeling doen van alle feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand)

Toepassing

  • Art. 14, EVRM (Discriminatieverbod: Het verbiedt discriminatie op welke grond dan ook) Het college heeft bij het selecteren van dossiers voor nader onderzoek onderscheid gemaakt tussen bijstandsgerechtigden op basis van hun geboorteland. De selectiecriteria richtten zich specifiek op bijstandsgerechtigden uit Turkije en Polen, wat een verschil in behandeling oplevert. Dit onderscheid moet gerechtvaardigd zijn door zeer zwaarwegende redenen, maar het college heeft niet kunnen aantonen dat dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is en niet in strijd is met het discriminatieverbod.
  • Art. 1, Protocol 12, EVRM (Discriminatieverbod: Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie) Het onderscheid dat het college heeft gemaakt door zich alleen te richten op bijstandsgerechtigden uit Turkije en Polen, zonder zwaarwegende rechtvaardiging, is in strijd met artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM. Het college heeft niet overtuigend kunnen aantonen dat het onderscheid gerechtvaardigd is door zeer zwaarwegende redenen. Hierdoor zijn de onderzoeksresultaten als onrechtmatig verkregen bewijs aangemerkt.
  • Art. 53a, PW (Onderzoeksbevoegdheid: Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens) Hoewel het college bevoegd is om onderzoek in te stellen, mag dit niet in strijd zijn met het discriminatieverbod. Het onderzoek richtte zich alleen op bijstandsgerechtigden uit Turkije en Polen op basis van een risicoprofiel, wat in strijd is met het discriminatieverbod omdat er geen zeer zwaarwegende redenen zijn aangetoond voor dit specifieke onderscheid.
  • Art. 17, lid 1, PW (Inlichtingenverplichting: De belanghebbende moet aan het college mededeling doen van alle feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand) Appellanten hebben hun inlichtingenverplichting geschonden door bij de aanvang van de bijstand geen melding te maken van de woning in Turkije. Deze schending is echter niet voortgevloeid uit het onrechtmatige onderzoek, omdat appellanten zelf bewijsstukken hebben overlegd die bevestigen dat de woning op naam van appellante heeft gestaan.

Conclusie

De Centrale Raad van Beroep concludeert dat het college in strijd heeft gehandeld met het discriminatieverbod, waardoor de onderzoeksresultaten onrechtmatig zijn verkregen en niet aan de besluitvorming ten grondslag mogen worden gelegd. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand omdat appellanten hun inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van de woning in Turkije.

Partijen en standpunten

  • Eiser: [appellant] en [appellante]
  • Gedaagde: het college van burgemeester en wethouders van Helmond

Appellanten stellen dat het onderzoek van het college discriminerend is en in strijd met artikel 14 EVRM en artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM. Zij betogen dat de onderzoeksresultaten onrechtmatig zijn verkregen en niet aan de besluitvorming ten grondslag mogen worden gelegd.

Het college stelt dat het onderzoek legitiem was en dat de onderzoeksresultaten rechtmatig zijn verkregen. Zij betogen dat het onderscheid op basis van geboorteland objectief gerechtvaardigd was vanwege de effectiviteit, efficiëntie en kostenbesparing bij de bestrijding van onjuist gebruik van sociale voorzieningen.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 10-10-2011 Appellanten ontvingen bijstand naar de norm voor gehuwden.
  2. 09-03-2012 Einde van de eerste periode waarin appellanten bijstand ontvingen.
  3. 04-02-2013 Appellanten ontvingen opnieuw bijstand naar de norm voor gehuwden.
  4. 08-07-2013 Einde van de tweede periode waarin appellanten bijstand ontvingen.
  5. 11-07-2013 Appellante ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande.
  6. 05-09-2013 Appellanten ontvingen weer bijstand naar de norm voor gehuwden.
  7. 01-09-2015 Het college start een pilot Vermogensonderzoek buitenland en selecteert dossiers van bijstandsgerechtigden uit Turkije en Polen.
  8. 30-05-2017 Het college beëindigt de bijstand van appellanten met ingang van 1 juni 2017.
  9. 01-06-2017 Appellante draagt de woning in Turkije om niet over aan haar moeder.
  10. 05-10-2016 Het Bureau Attaché van de Nederlandse Ambassade in Ankara levert een rapportage op waarin staat dat appellante een woning in Turkije bezit.
  11. 17-01-2018 Het college trekt bijstand in over verschillende perioden en vordert bijstand terug.
  12. 22-03-2018 Het college corrigeert het besluit van 17 januari 2018 en vordert een bedrag van €34.006 terug.