Onderzoek naar buitenlandse eigendommen is rechtmatig als het voldoet aan Nederlands recht.
Intrekken en terugvorderen AOI aanvulling in verband met onroerend goed in Turkije. Opvragen gegevens betreft beperkte en aanvaardbare inbreuk op privacy. Bewijs hoeft niet naar Turks recht rechtmatig te zijn verkregen. SVB niet bevoegd op bezwaar op invorderingsbesluit.
Rechtsvraag
Heeft de Sociale verzekeringsbank (Svb) terecht de bijstand en AIO-aanvulling van appellanten ingetrokken en teruggevorderd op basis van de schending van de inlichtingenverplichting en het bezit van onroerende zaken in Turkije, en is het onderzoek naar deze onroerende zaken in strijd met artikel 8 EVRM?
Regel
- art. 8 EVRM (Recht op respect voor privé- en gezinsleven)
- art. 4:125 Awb (Beslissing op bezwaar)
Toepassing
- art. 8 EVRM (Recht op respect voor privé- en gezinsleven) De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek naar de onroerende zaken van appellanten in Turkije een beperkte en aanvaardbare inbreuk maakt op het privéleven van appellanten. De gebruikte onderzoeksmethoden, zoals het raadplegen van kadasters en openbare digitale registers, zijn gerechtvaardigd en proportioneel. Dit oordeel is in lijn met eerdere jurisprudentie, zoals de uitspraak van 17 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1910. Verder is geoordeeld dat de rechtmatigheid van het bewijs naar Nederlands recht, inclusief internationaal en Europees recht, relevant is, en niet naar Turks recht. Dit is bevestigd in de uitspraak van 1 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2912.
- art. 4:125 Awb (Beslissing op bezwaar) De Raad heeft vastgesteld dat het beroep tegen het besluit van 29 december 2015 mede betrekking had op het besluit van 12 mei 2016, en dat de Svb niet bevoegd was om het tegen het besluit van 29 december 2015 gerichte bezwaar in behandeling te nemen. Daarom is het besluit van 12 mei 2016 vernietigd. De rechtbank had dit niet onderkend, waardoor de aangevallen uitspraak op dit punt moest worden vernietigd.
Conclusie
De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat de intrekking en terugvordering van de bijstand en AIO-aanvulling terecht waren, omdat de schending van de inlichtingenverplichting door appellanten bewezen was en het onderzoek naar de onroerende zaken in Turkije geen onaanvaardbare inbreuk op hun privéleven maakte. Echter, het besluit van 12 mei 2016 is vernietigd omdat de Svb onbevoegd was om het bezwaar tegen het besluit van 29 december 2015 te behandelen. De aangevallen uitspraak is voor het overige bevestigd.
Partijen en standpunten
- Eiser: [Appellant] en [Appellante], beiden te [woonplaats]
- Gedaagde: Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Appellanten stellen dat het onderzoek in Turkije een onaanvaardbare inbreuk maakt op hun privéleven en strijdig is met artikel 8 EVRM. Zij menen dat het onderzoek in strijd met de Turkse wet- en regelgeving is verricht.
De Svb stelt dat het onderzoek naar de eigendommen in Turkije rechtmatig is uitgevoerd volgens Nederlands recht, inclusief het internationaal en Europees recht. Het bewijs is vergaard volgens geldende Nederlandse en internationale normen.
Wetsartikelen
- art. 8 EVRM
- art. 4:125 Awb
Tijdlijn
- 03-01-2008 Appellanten ontvangen in aanvulling op hun ouderdomspensioen bijstand op grond van de Algemene Ouderdomswet, laatstelijk in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) op grond van de Wet werk en bijstand.
- 30-07-2014 Naar aanleiding van een anonieme tip over verblijf in Turkije en bezit van onroerend goed, start de Svb een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. Het Bureau Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade in Ankara voert het onderzoek uit.
- 18-11-2014 De onderzoeksresultaten tonen aan dat appellanten onroerend goed in Turkije bezitten, waaronder een woning, een appartement en vijf percelen grond met een totale geschatte waarde van € 265.316,-.
- 17-12-2014 De Svb besluit de bijstand en AIO-aanvulling van appellanten in te trekken met ingang van 3 januari 2008 en de gemaakte kosten van € 17.429,83 terug te vorderen.
- 26-08-2015 Na bezwaar handhaaft de Svb het besluit van 17 december 2014.
- 29-12-2015 De Svb verzoekt appellanten om het terugvorderingsbedrag van € 17.429,83 binnen zes weken te betalen.
- 12-05-2016 De Svb verklaart het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 29 december 2015 niet-ontvankelijk omdat geen gronden zijn aangevoerd die zich tegen dit besluit richten.
- 25-08-2016 De rechtbank Rotterdam verklaart het beroep tegen het besluit van 26 augustus 2015 ongegrond.
- 05-02-2019 Het onderzoek ter zitting vindt plaats. Appellanten zijn aanwezig, bijgestaan door hun advocaat. De Svb is vertegenwoordigd door mr. N. Zuidersma.
- 02-04-2019 De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover daarbij niet is beslist op het beroep tegen het besluit van 12 mei 2016 en het besluit van 29 december 2015. De Raad verklaart het beroep tegen het besluit van 12 mei 2016 gegrond en vernietigt dit besluit. Het beroep tegen het besluit van 29 december 2015 wordt ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak wordt voor het overige bevestigd. De Svb wordt veroordeeld in de proceskosten van appellanten en dient het betaalde griffierecht te vergoeden.