Verwijtbare werkloosheid leidt tot blijvende weigering van WW-uitkering bij dringende reden ontslag.

Centrale Raad van Beroep Β· 5 april 2017 Β· Hoger beroep Β· Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Dubbel hoger beroep. Blijvend gehele weigering WW-uitkering. Over de vraag of de werkloosheid al dan niet in overwegende mate aan betrokkene kan worden verweten wordt als volgt overwogen. In de uitspraak van 22 oktober 2015 heeft de Raad geoordeeld dat het voor betrokkene verzachtende omstandigheden oplevert dat zijn leidinggevenden er van op de hoogte waren dat hij met Loonbedrijf [naam loonbedrijf] nevenwerkzaamheden verrichtte voor het waterschap en dat de opdrachten van het waterschap zelf afkomstig waren. Daarentegen heeft de Raad betrokkene verweten dat hij de risico’s van het frequent inhuren van Loonbedrijf [naam loonbedrijf] op (de schijn van) belangenverstrengeling, vriendjespolitiek en oneerlijke concurrentie niet met zijn leidinggevenden heeft besproken. Voorts is, zoals in 4.3 weergegeven, in het bijzonder gewicht toegekend aan de tweede gedraging, waarbij betrokkene misbruik heeft gemaakt van kennis waarover hij als ambtenaar de beschikking had gekregen. Het geheel van gedragingen van betrokkene die tot zijn ontslag hebben geleid en de omstandigheden waarin deze hebben plaats gevonden, leiden tot het oordeel dat de werkloosheid weliswaar enigszins verminderd verwijtbaar is, maar niet in die mate dat de werkloosheid betrokkene niet in overwegende mate kan worden verweten.

Rechtsvraag

De centrale vraag is of betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden en of de WW-uitkering blijvend geheel moet worden geweigerd.

Regel

  • art. 24, lid 1, sub a, WW (verplichting om verwijtbare werkloosheid te voorkomen)
  • art. 24, lid 2, sub a, WW (verwijtbare werkloosheid bij dringende reden)
  • art. 7:678 BW (dringende reden voor ontslag)
  • art. 27, lid 1, WW (weigering WW-uitkering bij verwijtbare werkloosheid)

Toepassing

  • art. 24, lid 1, sub a, WW (verplichting om verwijtbare werkloosheid te voorkomen) De rechtbank en de Raad hebben vastgesteld dat betrokkene plichtsverzuim heeft gepleegd door opdrachten aan te nemen van het waterschap en misbruik te maken van kennis als ambtenaar. Betrokkene heeft de risico's van belangenverstrengeling niet besproken met zijn leidinggevenden. Dit leidt tot de conclusie dat betrokkene de verplichting om verwijtbare werkloosheid te voorkomen niet is nagekomen.
  • art. 24, lid 2, sub a, WW (verwijtbare werkloosheid bij dringende reden) De gedragingen van betrokkene zijn door de Raad beoordeeld als plichtsverzuim en vormen een dringende reden voor ontslag in de zin van art. 7:678 BW. De tweede gedraging, waarbij betrokkene misbruik maakte van kennis als ambtenaar, weegt het zwaarst. Dit leidt ertoe dat de werkloosheid verwijtbaar is.
  • art. 7:678 BW (dringende reden voor ontslag) De Raad heeft vastgesteld dat de gedragingen van betrokkene, waaronder het gebruik van kennis van offertes van concurrenten, een dringende reden voor ontslag vormen. Deze gedragingen rechtvaardigen de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk ontslag.
  • art. 27, lid 1, WW (weigering WW-uitkering bij verwijtbare werkloosheid) Omdat betrokkene verwijtbaar werkloos is en de werkloosheid hem in overwegende mate kan worden verweten, moet de WW-uitkering blijvend geheel worden geweigerd. Het hoger beroep van het waterschap slaagt en dat van betrokkene niet.

Conclusie

De Centrale Raad van Beroep concludeert dat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden en dat de WW-uitkering blijvend geheel moet worden geweigerd. Het beroep van het waterschap is gegrond verklaard en de aangevallen uitspraak is vernietigd.

Partijen en standpunten

  • Eiser: Waterschap Scheldestromen
  • Gedaagde: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Het waterschap betwist dat de werkloosheid betrokkene niet in overwegende mate kan worden verweten en wil de WW-uitkering terugvorderen.

Het Uwv stelt dat de werkloosheid betrokkene niet in overwegende mate kan worden verweten vanwege de rol van het waterschap.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 1993 Betrokkene wordt aangesteld bij een rechtsvoorganger van het waterschap.
  2. 01-01-2011 Betrokkene werkt 36 uur per week als medewerker beheer en onderhoud bij het waterschap.
  3. 06-01-2014 Het waterschap legt betrokkene de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk ontslag op.
  4. 15-01-2014 Het Uwv stelt vast dat betrokkene vanaf 3 februari 2014 recht heeft op een WW-uitkering, maar deze niet wordt uitbetaald wegens verwijtbare werkloosheid.
  5. 07-05-2014 Het waterschap verklaart het bezwaar van betrokkene tegen het ontslagbesluit ongegrond.
  6. 18-12-2014 De rechtbank vernietigt het besluit van het waterschap van 7 mei 2014.
  7. 22-10-2015 De Raad vernietigt de uitspraak van 18 december 2014 en verklaart het beroep van betrokkene ongegrond, waardoor het ontslag in rechte vaststaat.
  8. 16-09-2014 Het Uwv verklaart het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 15 januari 2014 gegrond en verleent een gedeeltelijke WW-uitkering.
  9. 07-04-2015 De rechtbank verklaart de beroepen van het waterschap en betrokkene tegen het besluit van 16 september 2014 ongegrond.
  10. 08-02-2017 Onderzoek ter zitting van de Centrale Raad van Beroep vindt plaats.
  11. 05-04-2017 De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 16 september 2014, verklaart het beroep van het waterschap gegrond en veroordeelt het Uwv in de proceskosten.