Arbeidsongeschiktheid door zwangerschap telt mee voor WAO-wachttijd; geen geslachtsdiscriminatie bewezen.
Dient ieder tijdvak van arbeidsongeschiktheid die het gevolg is van (complicaties bij) zwangerschap of bevalling buiten beschouwing te worden gelaten bij de vraag of de wachttijd voor de WAO is vervuld?
Rechtsvraag
Is het besluit van 4 februari 2004, waarbij de ingangsdatum van de WAO-uitkering van de werkneemster is bepaald op 25 juni 2002, rechtmatig, en maakt het onderscheid tussen mannen en vrouwen ten aanzien van de toekenning van WAO-uitkeringen op basis van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van (complicaties bij) zwangerschap of bevalling?
Regel
- art. 1 Grondwet (gelijkheidsbeginsel)
- art. 5 Algemene Wet Gelijke Behandeling (verbod op discriminatie)
- art. 7:646 BW (verbod op onderscheid naar geslacht bij arbeidsovereenkomst)
- art. 11 VN-Vrouwenverdrag (gelijke behandeling van vrouwen op de arbeidsmarkt)
- art. 1 Aanvullend Protocol bij het Europees Sociaal Handvest (gelijke rechten op het gebied van werkgelegenheid)
- art. 3 Richtlijn 76/207/EEG (gelijke behandeling van mannen en vrouwen)
- Richtlijn 2000/78/EG (gelijke behandeling in arbeid en beroep)
- art. 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (verbod op discriminatie)
- ILO-Conventie 103 (bescherming van moederschap)
- ILO-Conventie 111 (non-discriminatie op het gebied van arbeid en beroep)
- ILO-Conventie 156 (gelijke kansen en gelijke behandeling voor werkende mannen en vrouwen)
Toepassing
- art. 1 Grondwet (gelijkheidsbeginsel) De rechtbank heeft geoordeeld dat de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof niet mag meetellen voor de berekening van de WAO-wachttijd. Appellante stelt dat iedere arbeidsongeschiktheid ten gevolge van (complicaties bij) zwangerschap of bevalling buiten beschouwing moet blijven bij de wachttijd voor de WAO. De Raad constateert echter dat de nationale wetgeving geen onderscheid maakt naar geslacht bij de toekenning van de WAO-uitkering of de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie.
- art. 5 Algemene Wet Gelijke Behandeling (verbod op discriminatie) Appellante heeft betoogd dat de toekenning van de WAO-uitkering op basis van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van (complicaties bij) zwangerschap of bevalling nadelig is voor vrouwen en leidt tot discriminatie. De Raad heeft echter vastgesteld dat de wetgeving werkgevers verbiedt om tijdens sollicitaties en het aangaan of beëindigen van een arbeidsverhouding onderscheid te maken naar geslacht.
- art. 7:646 BW (verbod op onderscheid naar geslacht bij arbeidsovereenkomst) De Raad heeft aangegeven dat de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid niet van belang is bij de toekenning van de WAO-uitkering of de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie. Appellante heeft geen statistische gegevens overgelegd die onderbouwen dat de premiedifferentiatieregeling nadelig is voor vrouwen.
- art. 11 VN-Vrouwenverdrag (gelijke behandeling van vrouwen op de arbeidsmarkt) Appellante heeft een beroep gedaan op verschillende internationale verdragen en richtlijnen die gelijke behandeling van vrouwen op de arbeidsmarkt waarborgen. De Raad heeft echter geconcludeerd dat de nationale wetgeving geen onderscheid maakt naar geslacht en dat appellante haar stellingen niet heeft onderbouwd met statistische gegevens.
- art. 1 Aanvullend Protocol bij het Europees Sociaal Handvest (gelijke rechten op het gebied van werkgelegenheid) De Raad heeft vastgesteld dat de nationale wetgeving geen onderscheid maakt naar geslacht en dat appellante haar stellingen niet heeft onderbouwd met statistische gegevens die de nadelige gevolgen van de premiedifferentiatieregeling voor vrouwen aantonen.
- art. 3 Richtlijn 76/207/EEG (gelijke behandeling van mannen en vrouwen) De Raad heeft geconcludeerd dat de nationale wetgeving geen onderscheid maakt naar geslacht bij de toekenning van de WAO-uitkering of de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie. Appellante heeft geen statistische gegevens overgelegd die de nadelige gevolgen van de premiedifferentiatieregeling voor vrouwen aantonen.
Conclusie
De Raad heeft het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 4 februari 2004 ongegrond verklaard. De Raad heeft geconcludeerd dat het besluit in rechte kan standhouden, aangezien de nationale wetgeving geen onderscheid maakt naar geslacht en appellante haar stellingen niet heeft onderbouwd met statistische gegevens die de nadelige gevolgen van de premiedifferentiatieregeling voor vrouwen aantonen.
Partijen en standpunten
- Eiser: [Appellante]
- Gedaagde: Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Appellante stelt dat arbeidsongeschiktheid door (complicaties bij) zwangerschap of bevalling niet mag meetellen voor de WAO-wachttijd, omdat dit nadelig is voor vrouwen en leidt tot discriminatie. Zij beroept zich op verschillende nationale en internationale gelijkheidsbepalingen.
Gedaagde stelt dat de wetgeving geen onderscheid naar geslacht maakt en dat de oorzaak van arbeidsongeschiktheid irrelevant is voor de toekenning van de WAO-uitkering of de gedifferentieerde WAO-premie.
Wetsartikelen
Tijdlijn
- 06-11-2000 Met ingang van 6 november 2000 is bij appellante voor de duur van een half jaar in dienst getreden [betrokkene].
- 27-11-2000 Met ingang van 27 november 2000 heeft betrokkene regelmatig verzuimd en niet meer voor een aaneengesloten periode van vier weken of langer haar werk hervat.
- 06-07-2001 Op 6 juli 2001 is betrokkene bevallen.
- 05-03-2002 Met ingang van 5 maart 2002 is aan betrokkene een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend.
- 13-03-2002 Appellante is bij besluit van 13 maart 2002 op de hoogte gebracht van de toekenning van de WAO-uitkering aan betrokkene.
- 01-05-2002 Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 maart 2002 is bij besluit op bezwaar van 1 mei 2002 ongegrond verklaard.
- 18-02-2003 De rechtbank Breda heeft het beroep tegen het besluit van 1 mei 2002 gegrond verklaard onder de overweging dat de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof niet mag meetellen voor de berekening van de zogeheten WAO-wachttijd.
- 04-02-2004 Gedaagde heeft berust in de uitspraak van de rechtbank Breda en bij besluit op bezwaar van 4 februari 2004 de ingangsdatum van de WAO-uitkering van de werkneemster bepaald op 25 juni 2002.
- 2003 Namens appellante heeft mr. J.P.M. van Zijl hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 februari 2003.
- 20-01-2005 Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 20 januari 2005. Namens appellante is daarbij verschenen mr. Van Zijl en namens gedaagde is verschenen mr. P.A.A. Soer.
- 24-02-2005 De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 4 februari 2004 ongegrond.