Hoorzitting moet redelijk toegankelijk zijn; locatie kan niet beperkend werken tegen betrokkene.

Centrale Raad van Beroep ยท 29 april 2003 ยท Hoger beroep ยท Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

-

Rechtsvraag

Was de Sociale Verzekeringsbank gerechtigd om te beslissen op het bezwaar van de heer A. zonder een hoorzitting te hebben gehouden conform artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)?

Regel

  • art. 7:2, Awb (Hoorzitting in bezwaarprocedure)
  • art. 7:3, Awb (Uitzonderingen op de hoorplicht)
  • art. 7:12, Awb (Motivering van beslissingen op bezwaar)
  • art. 8:69, Awb (Onderzoek door de rechtbank)
  • art. 22, lid 3, Beroepswet (Heffing van recht in hoger beroep)

Toepassing

  • art. 7:2, Awb (Hoorzitting in bezwaarprocedure) De rechtbank oordeelde dat de Sociale Verzekeringsbank de heer A. niet daadwerkelijk de gelegenheid heeft geboden om gehoord te worden, zoals vereist door artikel 7:2 van de Awb, aangezien de mogelijkheid om gehoord te worden afhankelijk werd gesteld van het binnen vier weken reageren op een brief. Dit was in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
  • art. 7:3, Awb (Uitzonderingen op de hoorplicht) De Raad stelde vast dat de voorwaarden waaronder van het horen kan worden afgezien, niet voldaan waren, met name niet aan de uitzondering genoemd in artikel 7:3, onder c, van de Awb.
  • art. 7:12, Awb (Motivering van beslissingen op bezwaar) De rechtbank constateerde dat de Sociale Verzekeringsbank in de motivering van de beslissing op bezwaar niet heeft weergegeven waarom de hoorzitting achterwege is gelaten, zoals vereist door artikel 7:12 van de Awb.
  • art. 8:69, Awb (Onderzoek door de rechtbank) De Raad oordeelde dat de rechtbank binnen de grenzen van het geschil is gebleven door te onderzoeken of de voorschriften met betrekking tot het horen in bezwaarprocedures zijn nageleefd.
  • art. 22, lid 3, Beroepswet (Heffing van recht in hoger beroep) De Raad bepaalde dat van de Sociale Verzekeringsbank een recht wordt geheven van f 630,-, zoals voorgeschreven door artikel 22, derde lid, van de Beroepswet.

Conclusie

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarin het besluit van de Sociale Verzekeringsbank werd vernietigd wegens schending van artikel 7:2 van de Awb. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de Sociale Verzekeringsbank niet aan haar verplichting had voldaan om de heer A. daadwerkelijk de gelegenheid te bieden om gehoord te worden.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 09-08-1994 De Sociale Verzekeringsbank weigert de toekenning van een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aan gedaagde, A.
  2. 01-09-1994 De Sociale Verzekeringsbank stuurt een brief aan gedaagde waarin wordt vermeld dat hij om een hoorzitting kan vragen.
  3. 05-12-1994 De Sociale Verzekeringsbank verklaart het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 09-08-1994 ongegrond.
  4. 23-04-1996 De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam verklaart het beroep tegen het besluit van 05-12-1994 ongegrond, vernietigt dat besluit, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen in stand blijven.
  5. 13-05-1996 De Sociale Verzekeringsbank stelt hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank.
  6. 15-04-1998 De Centrale Raad van Beroep behandelt het geding, waarbij alleen de Sociale Verzekeringsbank verschijnt, vertegenwoordigd door R. Kleuters.
  7. 27-05-1998 De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en bepaalt dat van de Sociale Verzekeringsbank een recht van f 630,- wordt geheven.