Verrekeningsverbod ex art. 54 Fw geldt ook voor uitgaande betalingen na peilmoment, tenzij pandrecht.
Insolventierecht. Faillissementsrecht. Verrekening. Art. 54 Fw. Geschil over verrekening van schuld van bank als gevolg van creditering van inkomende betaling na peildatum van art. 54 Fw met vordering van bank die door uitvoering van betalingsopdrachten (uitgaande betalingen) daarna ontstaat. O.m. klacht van curator dat ten onrechte is afgeweken van vaste rechtspraak over art. 54 Fw op grond waarvan dergelijke verrekening niet mogelijk is.
Rechtsvraag
De centrale rechtsvraag in deze zaak is of het verrekeningsverbod van art. 54 Faillissementswet (Fw) – dat geldt voor een bank bij een inkomende betaling op de rekening van een rekeninghouder nadat de bank weet of behoort te weten dat het faillissement van de rekeninghouder te verwachten is – ook van toepassing is op uitgaande betalingen die de bank verricht uit de kredietruimte die is ontstaan door die inkomende betaling. Met andere woorden: mag een bank na het 'peilmoment' (het moment waarop zij niet meer te goeder trouw is) nog verrekenen met vorderingen die ontstaan door uitgaande betalingen die zij uitvoert in opdracht van de rekeninghouder?
Regel
- Artikel: art. 54 lid 1 Fw (Faillissementswet). Omschrijving: Verrekeningsverbod bij schuldoverneming of vorderingsoverneming als de overnemer niet te goeder trouw was ten tijde van de overneming. Dit artikel beschermt de gezamenlijke schuldeisers tegen bevoordeling van individuele schuldeisers in het zicht van faillissement.
- Artikel: art. 6:140 BW (Burgerlijk Wetboek). Omschrijving: Regelt de rekening-courantverhouding, waarbij inkomende en uitgaande betalingen automatisch worden verrekend door creditering of debitering van het saldo.
- Jurisprudentie: HR 7 oktober 1988, ECLI:NL:HR:1988:1 (Amro Bank/THB). Omschrijving: Bepaalt dat een bank die niet te goeder trouw is in de zin van art. 54 Fw zich niet op verrekening mag beroepen voor betalingen die binnenkomen op de rekening van de schuldenaar. De creditering van de rekening wordt gelijkgesteld met een schuldoverneming.
- Jurisprudentie: HR 19 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3137 (ING/Gunning q.q.). Omschrijving: Bevestigt dat banken geen uitzonderingspositie mogen ontlenen aan hun rol in het girale betalingsverkeer. Verrekening na het peilmoment is niet toegestaan.
Toepassing
- art. 54 lid 1 Fw (Faillissementswet) – Verrekeningsverbod bij niet te goeder trouw handelen van de bank ten tijde van schuldoverneming. De Hoge Raad overweegt dat art. 54 lid 1 Fw zich verzet tegen verrekening door de bank als deze niet te goeder trouw was op het moment van creditering van de rekening (rov. 3.4-3.5). Dit volgt uit vaste rechtspraak (Amro Bank/THB), waarin is bepaald dat de creditering van een rekening door een bank gelijkstaat aan een schuldoverneming. Als de bank op dat moment niet te goeder trouw was, mag zij zich niet op verrekening beroepen. Het hof had ten onrechte een uitzondering gemaakt voor uitgaande betalingen die de bank verrichtte na het peilmoment, terwijl deze betalingen juist voortvloeiden uit de kredietruimte die was ontstaan door de inkomende betaling (rov. 3.6). De Hoge Raad benadrukt dat er geen grond is voor een dergelijke uitzondering, omdat dit in strijd is met het doel van art. 54 Fw: voorkomen dat banken zich bevoordelen ten opzichte van andere schuldeisers door hun bijzondere positie in het betalingsverkeer (rov. 3.5).
- art. 6:140 BW (Burgerlijk Wetboek) – Rekening-courantverhouding en automatische verrekening. De rekening-courantverhouding tussen Rabobank en de vennootschap betekent dat inkomende en uitgaande betalingen automatisch worden verrekend (rov. 2.2 onder (iii)). Dit betekent dat de NOW-subsidie van € 15.478,-- die op 14 april 2020 werd bijgeschreven, direct werd verrekend met het negatieve saldo van de rekening (-€ 25.569,94), waardoor het saldo uitkwam op -€ 10.091,94. De Hoge Raad benadrukt echter dat deze automatische verrekening niet door mag gaan als de bank niet te goeder trouw was op het moment van creditering (rov. 3.3). Het hof had ten onrechte geoordeeld dat uitgaande betalingen na het peilmoment wel verrekend mochten worden, maar de Hoge Raad stelt dat dit in strijd is met het verrekeningsverbod van art. 54 Fw, omdat de uitgaande betalingen mogelijk werden gemaakt door de inkomende betaling (rov. 3.6).
- HR 7 oktober 1988, ECLI:NL:HR:1988:1 (Amro Bank/THB) – Gelijkstelling creditering met schuldoverneming en verbod op verrekening bij niet te goeder trouw zijn. De Hoge Raad verwijst expliciet naar het arrest Amro Bank/THB om te onderbouwen dat creditering van een rekening door een bank gelijkstaat aan een schuldoverneming in de zin van art. 54 Fw (rov. 3.5). Dit betekent dat als de bank op het moment van creditering niet te goeder trouw was, zij zich niet op verrekening mag beroepen. Het hof had dit beginsel ten onrechte uitgehold door een uitzondering te maken voor uitgaande betalingen na het peilmoment. De Hoge Raad stelt dat deze uitzondering in strijd is met het doel van art. 54 Fw, namelijk het voorkomen van bevoordeling van de bank ten opzichte van andere schuldeisers (rov. 3.5-3.6).
- HR 19 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3137 (ING/Gunning q.q.) – Geen uitzonderingspositie voor banken in het betalingsverkeer. De Hoge Raad benadrukt dat banken geen uitzonderingspositie mogen ontlenen aan hun rol in het girale betalingsverkeer (rov. 3.5). Dit beginsel is bevestigd in het arrest ING/Gunning q.q. Het hof had dit beginsel geschonden door toe te staan dat Rabobank na het peilmoment nog verrekening toepaste voor uitgaande betalingen. De Hoge Raad stelt dat dit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel van schuldeisers en het doel van art. 54 Fw (rov. 3.6).
Conclusie
De Hoge Raad concludeert dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door te oordelen dat art. 54 lid 1 Fw niet in de weg staat aan verrekening van de schuld die voor de bank ontstaat door creditering van een inkomende betaling na het peilmoment, met vorderingen die ontstaan door uitgaande betalingen na dat moment. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling. De kern van de beslissing is dat het verrekeningsverbod van art. 54 Fw ook geldt voor uitgaande betalingen die worden verricht uit de kredietruimte die is ontstaan door een inkomende betaling na het peilmoment waarop de bank niet meer te goeder trouw was. Banken mogen zich niet bevoordelen ten opzichte van andere schuldeisers door hun positie in het betalingsverkeer.
Partijen en standpunten
- Eiser: Stefan Jansen q.q. (curator van [A] B.V.)
- Gedaagde: Coöperatieve Rabobank U.A.
De curator vordert dat de verrekening door Rabobank van de girale bijschrijving van € 15.478 (NOW-subsidie) in strijd wordt verklaard met artikel 54 lid 1 Faillissementswet (Fw). Volgens de curator mocht Rabobank na het peilmoment (wanneer zij niet meer te goeder trouw was) geen verrekening toepassen, ook niet voor uitgaande betalingen die voortvloeiden uit de ontstane kredietruimte. De curator eist betaling van het volledige bedrag aan de boedel, omdat Rabobank zich ten onrechte zou hebben bevoordeeld ten koste van andere schuldeisers.
Rabobank stelt dat het verrekeningsverbod van artikel 54 Fw niet van toepassing is op uitgaande betalingen die na het peilmoment zijn verricht vanuit de kredietruimte die door de binnengekomen betaling is ontstaan. Volgens Rabobank leidt het toestaan van verrekening in dit geval niet tot een ongerechtvaardigde bevoordeling, omdat de bank anders nadeel zou ondervinden door haar centrale positie in het betalingsverkeer. Daarnaast betoogt Rabobank dat strikte toepassing van artikel 54 Fw maatschappelijke nadelen zou hebben, zoals het eerder beëindigen van financiering aan klanten in financiële moeilijkheden.
Wetsartikelen
Tijdlijn
- 28-02-2017 De vennootschap (A B.V.), exploitant van een café-restaurant, sluit een financieringsovereenkomst met Rabobank. Rabobank verstrekt financiering en de vennootschap houdt een bankrekening aan bij Rabobank met een kredietlimiet van € 25.000. Er wordt zekerheid gesteld in de vorm van een stil pandrecht op toekomstige vorderingen. Tussen partijen bestaat een rekening-courantverhouding in de zin van art. 6:140 BW.
- 00-00-0000 [Begin-03-2020] In Nederland breekt de coronacrisis uit, waardoor de vennootschap haar restaurant noodgedwongen moet sluiten. Dit leidt tot financiële problemen voor de vennootschap.
- 10-04-2020 Het UWV kent op grond van de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW) een tegemoetkoming toe aan de vennootschap van € 58.042 voor de maanden maart, april en mei 2020. Besloten wordt dat € 46.434 als voorschot wordt betaald in drie maandelijkse termijnen van € 15.478.
- 14-04-2020 De eerste termijn van de NOW-subsidie (€ 15.478) wordt bijgeschreven op de rekening van de vennootschap bij Rabobank. Het negatieve saldo van de rekening-courant verandert van -€ 25.569,94 naar -€ 10.091,94 na verrekening.
- 17-04-2020 De vennootschap dient op eigen verzoek een verzoekschrift in tot faillietverklaring.
- 21-04-2020 De rechtbank verklaart de vennootschap failliet. Tussen 14 april 2020 en deze datum zijn uitgaande betalingen verricht in opdracht van de vennootschap, waardoor het debetsaldo oploopt tot -€ 23.493,78.
- 00-00-0000 [Onbekend na 21-04-2020] De curator verzoekt Rabobank om het bedrag van € 15.478 uit hoofde van de NOW-subsidie over te maken naar de boedelrekening. Rabobank voldoet niet aan dit verzoek. [Opmerking: Exacte datum van dit verzoek is niet vermeld in de uitspraak.]
- 00-00-0000 [Onbekend na voorgaande entry] Rabobank draagt een bedrag van € 2.076,16 af aan de boedel. Dit bedrag is het verschil tussen het saldo vóór de bijschrijving van de NOW-subsidie (-€ 25.569,94) en het saldo ten tijde van het faillissement (-€ 23.493,78). [Opmerking: Exacte datum van deze afdracht is niet vermeld.]
- 30-03-2022 De kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland wijst vonnis in zaaknummer 9142954 UC EXPL 21-2861. De rechtbank oordeelt dat art. 54 Fw aan verrekening door Rabobank in de weg zou kunnen staan, maar wijst de vorderingen van de curator af omdat niet vaststaat dat Rabobank op 14 april 2020 niet te goeder trouw was in de zin van art. 54 Fw.
- 00-00-0000 [Onbekend tussen 30-03-2022 en 11-04-2023] Partijen maken in hoger beroep procesafspraken, waarbij als uitgangspunt geldt dat Rabobank al vóór 14 april 2020 niet meer te goeder trouw was in de zin van art. 54 Fw. [Opmerking: Exacte datum van deze afspraken is niet vermeld.]
- 11-04-2023 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wijst een eerste arrest in zaaknummer 200.314.050. [Opmerking: De inhoud van dit arrest is niet verder gespecificeerd in de uitspraak.]
- 05-03-2024 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wijst een tweede arrest waarin het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd. Het hof oordeelt dat art. 54 Fw niet in de weg staat aan verrekening van de schuld die voor de bank ontstaat na het peilmoment met de vordering die de bank verkrijgt door het uitvoeren van betalingsopdrachten na dat peilmoment. Het hof overweegt dat Rabobank het verschil van € 2.076,16 al aan de boedel heeft afgedragen, waardoor de vordering van de curator niet meer toewijsbaar is.