Bestuurder kan niet op art. 6:89 BW beroepen bij interne bestuurdersaansprakelijkheid.

Hoge Raad · 26 april 2024 · Cassatie · Civiel recht; Verbintenissenrecht

Rechtspersonenrecht. Verbintenissenrecht. Reikwijdte van décharge en art. 2:9 BW-bestuurdersaansprakelijkheid. Reikwijdte van art. 6:89 BW-klachtplicht en vordering uit art. 2:9 BW-bestuurdersaansprakelijkheid / onverschuldigde betaling. Maatstaf voor art. 2:9 BW-bestuurdersaansprakelijkheid. Taak van appelrechter. Relevantie van ervaring als advocaat. Schade.

Rechtsvraag

Kan een bestuurder zich beroepen op art. 6:89 BW om zijn aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW jegens de rechtspersoon af te weren door te stellen dat er niet tijdig is geklaagd over gebreken in de verrichte prestaties?

Regel

  • art. 2:9 lid 1 BW (Bestuurder is gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak en is aansprakelijk indien hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt)
  • art. 2:9 lid 2 BW (Medebestuurders zijn in beginsel hoofdelijk aansprakelijk voor onbehoorlijk bestuur)
  • art. 6:89 BW (Schuldeiser kan geen beroep meer doen op een gebrek in de prestatie als hij niet binnen bekwame tijd na ontdekking heeft geprotesteerd)

Toepassing

  • art. 2:9 lid 1 BW (Bestuurder is gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak en is aansprakelijk indien hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt) De rechter heeft vastgesteld dat de verhouding tussen de bestuurder en de rechtspersoon een specifieke rechtsverhouding is, waarbij de bestuurder gebonden is aan de wet, de gewoonte, de statuten, reglementen en besluiten van de rechtspersoon. In dit geval heeft [eiser] als bestuurder zijn taak niet behoorlijk vervuld, waardoor hij aansprakelijk is op grond van art. 2:9 lid 1 BW.
  • art. 2:9 lid 2 BW (Medebestuurders zijn in beginsel hoofdelijk aansprakelijk voor onbehoorlijk bestuur) De rechter heeft verduidelijkt dat indien een bestuurder aansprakelijk is op grond van art. 2:9 lid 1 BW, de medebestuurders in beginsel hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het onbehoorlijk bestuur. Dit is relevant omdat de aansprakelijkheid van [eiser] ook gevolgen kan hebben voor eventuele medebestuurders.
  • art. 6:89 BW (Schuldeiser kan geen beroep meer doen op een gebrek in de prestatie als hij niet binnen bekwame tijd na ontdekking heeft geprotesteerd) De rechter oordeelde dat een redelijke wetsuitleg meebrengt dat een bestuurder zich niet kan beroepen op art. 6:89 BW om zijn aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW af te weren. Dit vloeit voort uit de aard van de rechtsverhouding tussen bestuurder en rechtspersoon en de onmogelijkheid voor de rechtspersoon om tijdens de aanstelling van de bestuurder te protesteren tegen onbehoorlijke taakvervulling.

Conclusie

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van [eiser] en oordeelt dat een bestuurder zich niet kan beroepen op art. 6:89 BW om zijn aansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW jegens de rechtspersoon af te weren. Dit is gebaseerd op de specifieke aard van de rechtsverhouding tussen bestuurder en rechtspersoon en de onmogelijkheid voor de rechtspersoon om tijdig te protesteren tegen onbehoorlijke taakvervulling door de bestuurder.

Partijen en standpunten

  • Eiser: [eiser]
  • Gedaagde: Parkdale International B.V.

De eiser vordert veroordeling van Parkdale tot betaling van bepaalde bedragen vanwege verstrekte en niet-terugbetaalde leningen aan Dumul en [betrokkene 3] en ten onrechte gefactureerde bedragen door [de maatschap].

Parkdale heeft zich niet verdedigd, aangezien tegen haar verstek is verleend.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 26-01-2011 [eiser] en zijn compagnon hebben de aandelen in Parkdale overgedragen aan Parkdale International Ltd (Parkdale Ltd). Na de overdracht werd Parkdale Ltd de bestuurder van Parkdale.
  2. 05-05-2011 [eiser] werd benoemd tot bestuurder van Parkdale naast Parkdale Ltd.
  3. 06-10-2011 De aandelen in Dala Mining werden aan Parkdale overgedragen.
  4. 07-06-2012 Dala Mining heeft $5 miljoen overgemaakt naar Parkdale, die als beheerder van het bedrag zou optreden en betalingen zou verrichten ten behoeve van het delvingsproject in Kazachstan.
  5. Medio 2014 Dala Mining en Parkdale ondertekenden twee ‘Agency Contracts’ waarin werd bevestigd dat de aan Parkdale ter beschikking gestelde fondsen dienden te worden besteed aan de ontwikkeling van het delvingsproject.
  6. 29-01-2016 Parkdale Ltd aanvaardde het ontslag van [eiser] als bestuurder van Parkdale per 24 februari 2016 en verleende hem algehele decharge voor het gevoerde beleid tot aan de datum van zijn terugtreden.
  7. 28-03-2018 Control Risks Benelux B.V. bracht in opdracht van Dala Mining een kritisch rapport uit over de dienstverlening door [eiser] bij Parkdale in de periode van 1 april 2011 tot 31 december 2015.
  8. 28-11-2018 De rechtbank Noord-Nederland wees grotendeels de vorderingen van Parkdale tegen [eiser] toe.
  9. 06-02-2019 De rechtbank Noord-Nederland wees grotendeels de vorderingen van Parkdale tegen [eiser] toe.
  10. 20-02-2019 De rechtbank Noord-Nederland wees grotendeels de vorderingen van Parkdale tegen [eiser] toe.
  11. 09-09-2020 De rechtbank Noord-Nederland wees grotendeels de vorderingen van Parkdale tegen [eiser] toe.
  12. 28-12-2021 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bekrachtigde grotendeels het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.