Onvoldoende bewijs van wetenschap leidt tot vernietiging en verwijzing voor verdere behandeling.
Aansprakelijkheidsrecht. Stelplicht. Bewijsaanbod.
Rechtsvraag
De centrale juridische vraag is of ZZC c.s. onrechtmatig hebben gehandeld door betrokkenheid bij de factoringfraude van VFI en of zij aansprakelijk zijn voor de schade die UIB heeft geleden.
Regel
- Art. 6:162 BW (onrechtmatige daad): bepaalt wanneer sprake is van een onrechtmatige daad en de voorwaarden voor aansprakelijkheid.
- Art. 6:166 BW (aansprakelijkheid voor groepshandelingen): stelt dat als meerdere personen gezamenlijk een gevaarlijke situatie veroorzaken, zij gezamenlijk aansprakelijk kunnen zijn.
- Art. 6:102 BW (hoofdelijke aansprakelijkheid): bepaalt dat als meerdere personen aansprakelijk zijn voor dezelfde schade, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn.
Toepassing
- Art. 6:162 BW (onrechtmatige daad): bepaalt wanneer sprake is van een onrechtmatige daad en de voorwaarden voor aansprakelijkheid. Het hof oordeelt dat ZZC c.s. geen onrechtmatige daad hebben gepleegd jegens UIB, omdat ZZC c.s. slechts als logistiek dienstverlener optraden en er geen voldoende bewijs is dat zij wisten van de fraude of hierbij betrokken waren. ZZC c.s. hebben hun zorgplicht niet geschonden, omdat zij voldoende maatregelen namen door de vondst van cocaïne te melden aan de douane en geen directe relatie hadden met EBT. (rov. 6.6-6.22)
- Art. 6:166 BW (aansprakelijkheid voor groepshandelingen): stelt dat als meerdere personen gezamenlijk een gevaarlijke situatie veroorzaken, zij gezamenlijk aansprakelijk kunnen zijn. Het hof heeft geoordeeld dat er geen bewijs is dat ZZC c.s. en VFI een afspraak hadden om UIB te benadelen door de factoringfraude. De door UIB gestelde VFI/ZZC-afspraak is onvoldoende onderbouwd en ZZC c.s. hebben deze betwist. (rov. 6.41-6.51)
- Art. 6:102 BW (hoofdelijke aansprakelijkheid): bepaalt dat als meerdere personen aansprakelijk zijn voor dezelfde schade, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn. Aangezien de onrechtmatige daad van ZZC c.s. niet is bewezen, is er geen sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid volgens art. 6:102 BW. Het hof heeft geen bewijs gevonden dat ZZC c.s. op de hoogte waren van de factoringfraude of betrokken waren bij het creëren van de gevaarlijke situatie. (rov. 6.61)
Conclusie
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag en verwijst de zaak voor verdere behandeling naar het gerechtshof Amsterdam. De Hoge Raad oordeelt dat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan de stelplicht van UIB en dat UIB voldoende bewijs heeft aangeboden voor de betrokkenheid van ZZC c.s. bij de fraude.
Partijen en standpunten
- Eiser: United International Bank N.V.
- Gedaagde: Zoomweg Zeeland Coldstore B.V., [Y], [holding] B.V., ZZC Beheer B.V.
UIB stelt dat ZZC c.s. onrechtmatig hebben gehandeld door VFI te faciliteren in factoringfraude en cocaïnesmokkel te verzwijgen. UIB eist hoofdelijk € 7.400.594,-- van VFI c.s. en ZZC c.s.
ZZC c.s. betwisten betrokkenheid bij de fraude en stellen enkel als logistiek dienstverlener te hebben gehandeld, zonder kennis van de onrechtmatigheden.
Tijdlijn
- Eind 2011 [Y] introduceert [X] bij [procuratiehouder EBT] als potentiële zakelijke relatie voor de verkoop van bananen in Europa.
- 24-05-2012 UIB en EBT ondertekenen een factoringovereenkomst voor de financiering van de bananenhandel.
- Eind mei 2012 EBT begint met het gebruik van de door UIB geboden mogelijkheid van financiering door factoring.
- Juli/Augustus 2012 [directeur UIB] spreekt [procuratiehouder EBT] en [X] aan over het niet betalen door afnemers op de rekening van UIB.
- 30-08-2012 UIB besluit de financiering aan EBT op te schorten.
- 07-09-2012 EBT stuurt een e-mail aan ZZC waarin wordt aangegeven dat de door VFI betaalde gelden toebehoren aan UIB volgens een factoringovereenkomst.
- 29-11-2022 Het gerechtshof Den Haag bekrachtigt het vonnis van de rechtbank in de procedure tussen UIB en ZZC c.s.
- 17-01-2023 Het gerechtshof Den Haag past een verbetering toe op het arrest van 29 november 2022.
- 08-11-2024 De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 29 november 2022 en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.